Vlucht naar Penzance

Geschiedenissen van Vlaamse vissers in de Tweede Wereldoorlog © ® a.j. beirens

zaterdag 3 juli 2010

"Vlucht naar Penzance" is in boekvorm uit

Het lijvige boek Vlucht naar Penzance bevat oorlogsverhalen van Vlaamse vissersfamilies. Op de cover Joseph Vantorre (van de tak van de Musschen), die als 12-jarige jongen uit Heist mee vluchtte met z’n vader (de ‘Rus’) en grootouders en onmiddellijk na de oorlog het leven liet bij het vergaan van de Zeebrugge 5. Bij de voorstelling van het boek in de Scharpoordbibliotheek in Knokke-Heist wees Schepen Danny Lannoy erop, dat 70 jaar na het gebeuren, het de eerste keer is dat ook “ruime aandacht besteed wordt aan de oorlogsverhalen van de vissersvrouwen en de kinderen”. Inderdaad, zeventig jaar na de dramatische gebeurtenissen bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, worden met het boek Vlucht naar Penzance in 449 bladzijden en met veel foto’s de oorlogsverhalen van ‘de Musschen’ verweven met die van vele andere Heistse, Zeebrugse en Oostendse vissersfamilies. Ondermeer gaat het om de families Gheselle, Savels, De Meester, Zonnekeyn, Cogghe, Legein, Lenaers, Debusschere, Vandenbergen, Verhaeghe, Wouters, Geryl, Vandierendonck, Bonjé, Dobbelaere… Het is een werk vol feiten en soms trieste maar vaak ook plezierige anekdotes over de vlucht, de zware rampdag van de Vlaamse vissers in Dieppe, vissersfamilies in Londen in de Blitz, gebleven vaartuigen, jonge vissers in Engeland bij de strijdkrachten, Vlaamse vluchtelingen op school, het leven en de problemen van kinderen en vissersvrouwen in Penzance, Newlyn en Brixham… Ook de vissersfamilies aan het bezette thuisfront komen aan bod, evenals de honger naar eten en de honger naar informatie, de ontspanning en de zelfredzaamheid van het vissersvolk en de bevrijding van Knokke en Heist. Vlucht naar Penzance probeert verder enkele vrij onbekende wapenfeiten van de Vlaamse vissers aandacht te geven, zoals het begeleiden van de Goudvloot richting Afrika. Vooral wil het boek voorkomen dat de diverse kleine en grote oorlogsverhalen van de vissers verloren gaan.

Vlucht naar Penzance werd uitgegeven bij Unibook. Dat is een wereldwijde drukkerijketen, waarvan het Europese hoofdkwartier in Puurs is. De boeken worden telkens pas gedrukt wanneer die besteld worden. Op die manier is er nooit een stock. Omdat via internet wordt verkocht, is de prijs betaalbaar, niettegenstaande de kleine oplage. Naast de zwart/wit uitgave op gewoon papier is bij de uitgeverij ook een luxe editie beschikbaar. Bestelde boeken worden binnen de 10 dagen gedrukt en mits een verzendingstoeslag thuis besteld.


Bestelsite:
www.unibook.com
Voor verdere informatie en eventueel bestellen:
klik ZWART/WIT UITGAVE (op gewoon papier),of LUXE/KLEURENEDITIE (op glanzend papier).

"Vlucht naar Penzance"
Bindwijze : Hardcover
Formaat : A4
Aantal pagina's : 449
Foto's: 500-tal

"Vlucht naar Penzance" paperback editie kost € 21,50 (+ verzendkosten)
De nieuwe paperbackeditie kan men HIER bestellen (360p en 196 foto's).
ISBN nummer is 978-1-4461-5749-7.

zondag 10 mei 2009

HOOFDSTUK 1: AANLOOP NAAR WERELDOORLOG TWEE

VREES VOOR OORLOG

De jongen rende opgewekt door de gang van het Heistse redershuis in de Onderwijsstraat. Hij gleed speels met z'n rechterhand over de koele golven van de eindeloze zee en de vele schepen en boten die op de wand van de lange gang geschilderd waren. Dat mocht niet, ook niet met proper geschrobde handen... "Clara ziet het toch niet, en Metje is bezig met de vogels" overlegde hij bijna onbewust, toen z'n vingers over het reliëf van de boten streelden. Het was een fresco geschilderd door een zekere Van Hulle uit Brugge, die vol talent maar zonder werk bij de welgestelde reder Pol Mussche (Leopold Vantorre) was komen aankloppen, en tegen een prijsje bijna een hele winter aan het unieke kunstwerk had besteed. Het grootste kunstwerk dat Heist ooit gekend heeft! Maar de jongen zag in het zeelandschap niet de kunst maar enkel het avontuur. De zee, daar wilde hij later naar toe om te vissen, net zoals z'n vader.

"Metje, ik ben gaan spelen, é" galmde de kinderstem tot achter in het huis. Metje Mussche,
Valerie Octavie Viaene (63), riep nog “wees voorzichtig en blijf niet te lang weg”, maar haar kleinzoon Joseph Vantorre (bijna 13) trok de voordeur reeds achter zich dicht. Metje had net de kleine vogeljongen, die in een oude schoendoos zaten, te eten gegeven. Tegen haar man Pol Mussche (69), zei ze plagend "Die vortzakken van je vogels hebben weer eten gehad é. En binnen twee uren is 't weer gang". Het leek alsof ze schold, maar in feite was ze tevreden dat ze "die kleine knekertjes" kon grootkweken met een papje van brood, gemalen zaad en wat water. Het was Pol Mussche, reder en walkapitein, die als hobby kanaries en andere vogels kweekte in de volière van het achterkot, dat ze "het stal" noemden. Maar 't was nogal vaak Metje die zich over de jongen ontfermde...

Metje wreef de handen in de manier die haar eigen was, en zette zich in haar favoriete rieten zetel in de grote hoge veranda. Ongewild begon ze te mijmeren over de gevaarlijke tijd. Het gonsde in Heist van de oorlogsgeruchten. Ze hoopte dan ook dat hun schepen gauw weer binnen zouden zijn. De lentezon zorgde reeds voor een aangename temperatuur in de veranda, die met z'n vele groene planten de indruk gaf van een binnentuin. Binnenkort moeten we het zeildoek tegen het glazen dak ophangen" dacht ze "anders wordt het te warm en verbrandt al het groen". Maar Metje genoot van de warmte en trok zelfs de mouwen van haar donkergebloemde bloes wat lager over de handen, en de kraag wat hoger om de hals. Het was namelijk een bitter koude winter geweest, met lange weken ijs op de Lac van Heist. Het brood was ook weer duurder geworden, wikte ze. Ze betaalde nu al 2 fr.!

"We gaan hem beter voorlopig niet terug naar school zenden" kwam een zware stem uit de bijkeuken. Pol Mussche was er koffie aan het opgieten. Metje knikte instemmend, maar riep terug "In de zak, niet onder de zak, é, vader". Haar man had namelijk de gewoonte om het kokend water slechts een paar keer in de koffiezak te gieten, de rest ging onder de zak rechtstreeks in de grote koffiekan. Het zorgde voor snelle maar slappe koffie, en dat lustte Falletje niet. Falletje, of Falle, zo noemde de buitenwereld Metje Mussche. "Ge weet dat de kleinen liever niet in den Ibis blijft en hier in Heist naar school wil" zei Metje toen Pee Mussche met de koffie in de veranda kwam. En ze dacht zuchtend "ja, en dan zeker 's avonds en 's zondags naar de visserijschool". Dagonderwijs voor de vissers was er in die tijd niet. Clara (39), de tweede dochter, die niet getrouwd was, had inmiddels de kopjes voor de koffie klaargezet. Zij had Joseph een tijdje opgevangen toen hij als peuter van drie jaar compleet onverwacht bij hen was aanbeland. "Tijd genoeg om erover te klappen als de Rus binnen is" antwoordde Pee. Hij wist dat Metje liever had dat Joseph geen visser zou worden, zeker nu de laatste tijd steeds meer vaartuigen uit Heist en Oostende op mijnen liepen en met man en muis vergingen. Trouwens de jongen had al genoeg meegemaakt in z'n jonge leven.

De Rus, Victor Vantorre, was hun tweede zoon en vader van Joseph. Hij vaarde aan boord
van de Zeebrugge 5. Victor kreeg de bijnaam "Rus" omdat hij als jongen tijdens de Eerste
Wereldoorlog brood toestak aan Russische krijgsgevangenen die voor de Duitse pinhelmen dwangarbeid moesten verrichten bij de bouw van allerlei versterkingen in Heist en de grote batterij Wilhelm II in Knokke. Honderden Russen lagen 's nachts gelogeerd in het Hotel des Bains in Heist en in de Couronne in Knokke. Het waren jonge stoere soldaten met stevige laarzen en blinkende knopen aan hun grijsblauwe uniform. Hij zou het kleur van die uniformen vele jaren later in heel andere omstandigheden opnieuw ontmoeten, maar daar had de Rus toen niet het flauwste vermoeden van. Victor wist als jongen echter wel precies wanneer de Russen elke dag gelucht werden op de zeedijk. “Ze waren dul van de honger” herinnert Knokkenaar Theo Desmedt zich uit die tijd. Als jongen van twaalf liep Victor Vantorre op de dijk in Heist tussen de Russische soldaten om ze stukken brood te geven. De Duitse bewakers stonden het oogluikend toe. De uitgehongerde Russen zagen Victor al van ver komen en riepen iets van “ja goloden” (Я голоден) en zeer nadrukkelijk “kleb!! kleb!!” (хлеб). Alhoewel Victor tevoren nooit een woord Russisch gehoord, laat staan geleerd had, begreep hij wel dat ze riepen “ik heb honger” en “brood, brood!” Als hij ze dan een stuk brood toestak mompelden ze soms nog iets. Het klonk als “spasibo” (Спасибо). De Rus dacht dat het misschien wel dankjewel betekende. Meestal waren de krijgsgevangen echter te zeer bezig met hun homp brood om nog tijd te hebben voor bedankingen. Maar de dankbaarheid zag de Rus wel in hun ogen. Dat was voor hem genoeg. Metje Mussche riep Victor regelmatig ter verantwoording over het vele brood dat hij thuis verdonkeremaande. Ze zei "Maar Victor toch, we hebben zelf bijna niks". De Rus antwoordde echter: "Maar moeder toch, die venten hebben in 't geheel niks!" Later, in 1917, vaardigde de bezetter in de badplaats een verbod uit om “aan Russische gevangenen geschenken uit te delen, hun iets toe te roepen, toe te werpen of op gelijk welke wijze met hen in betrekking te komen”. Vanaf toen moest de Rus zeer stiekem te werk gaan. Het weggeven aan mensen die het nodig hadden had hij zeker van zijn vader. Pol Mussche zorgde ook vaak dat "een zootje vis" werd afgeleverd bij gezinnen die wat extra best konden gebruiken.

Metje dacht terug aan de verschrikking van de eerste oorlog, en ze voelde het, het zou niet lang meer duren of Duitse laarzen zouden weer door Heist marcheren en de baas spelen. Pee Mussche zette zich naast haar in de veranda en genoot van z'n koffie, maar nog meer van de dikke sigaar die hij daarna opstak. Zo zag hij er uit als het evenbeeld van Churchill. Hij zou later in Engeland menig Engelsman tweemaal doen omkijken...

DE VAARTUIGEN VAN POL MUSSCHE

De voorbije 20 jaar had Pol Mussche (Leopold Vantorre) een kleine rederij uit de grond
gestampt. Hij was altijd een doordouwer geweest, die wist wat hij wilde. Op het moment dat in Zeebrugge de eerste werken werden uitgevoerd ging hij zich als jongen aanbieden. Toen de voorman vroeg hoe oud hij was zei hij "over 13 maanden ben ik 14 jaar". Hij werd aangenomen. Vervolgens ging hij naar zee en schopte het op korte tijd tot stuurman. Pol Mussche vaarde jarenlang op de schepen van rederij Debra.

Henri Debra (1876-1950) was in Vlissingen geboren en belandde als jongeman in Heist. Hij woonde eerst in de Brouwersstraat, boven het café van Freins (Frans Vantorre) en begon snel vis te verhandelen in de winkel “A la crevette” op de hoek van de Kursaalstraat en de Vlamingstraat. Later werkte hij zich op tot reder en industrieel in de visserijbranche. Tussen 1908 en 1920 had Debra in Zeebrugge een tiental vissersvaartuigen gebouwd en in de vaart gebracht. In de Eerste Wereldoorlog waren twee van die schepen trouwens door Duitse U-boten tot zinken gebracht. Debra was ook bedrijvig in de Heistse politiek als lid van de Liberale partij. Hij schopte het tweemaal tot burgemeester in Heist; in 1921 en opnieuw in 1939.

Debra had zijn pakhuis langs de Viswegel in Zeebrugge, tegenwoordig de Kielbankstraat. Daar ging Pol Mussche in 1923 tegen zijn werkgever zeggen dat hij op zijn eigen ging beginnen. Hij was toen 52 en besloot in het grote avontuur te stappen omdat hij zag dat de toekomst lag in nieuwere modernere schepen. “Als het getij verloopt, moet men de bakens verzetten”, wist hij als goed visser. Het was het jaar waarin men in de kusthaven ook de eerste vismijn bouwde. Het werd een houten keet overdekt met golfplaten, die op de plaats stond waar later in 1948 ook de nieuwe naoorlogse vismijn zou gebouwd worden. “Ben je niet bang om schuld te maken om een vaartuig te leggen?” vroeg Henri Debra, die zijn beste stuurman niet graag zag vertrekken. “In ’t geheel niet” antwoordde Pol Mussche “’k ben al drie jaar achtereen de beste besommer in Zeebrugge. En ik heb zeker twee zoons die bij mij zullen varen”. Pol Mussche was al zo’n 20 jaar stuurman voor Henri Debra. Ook zijn oudste zoon Frans Vantorre (Calus) en zijn broer Berten Mussche hadden samen met hem voor Debra gewerkt, en deze helpen rijk worden. Dat herinnerde zich Jos Ackx uit Heist die in 1907 als jongetje van zes en een half jaar zijn eerste zeereis maakte aan boord van het vaartuig dat Pol Mussche voer. Later na het behalen van zijn brevet ging Jos Ackx mee als lavertje op de platbomer van “nonkel Guttepa” (August Vantorre).

Voor zijn eerste vaartuig, de Zeebrugge 34, had Pol Mussche geld geleend van Door Coornaert, een welgestelde boer. Lenen aan een boer in plaats van een bank was toen min of meer de regel. Theophiel Degroote zegt. “De boeren vroegen één frank meer van het honderd, maar de reders moesten geen verzekering afsluiten voor hun vaartuig, dat was toen nog niet verplicht. Maar als er dan een ongeluk gebeurde mocht men er een kruis over maken”. Het vaartuig van Pol Mussche kwam in 1924 in de vaart en droeg de naam Valerie Octavie. Falle, de vrouw van Pol Mussche heette namelijk voluit Valerie Octavie Viaene. Zij was afkomstig uit 't Zoekte in Knokke en was geboren op 26 augustus 1876. De Heistenaars waren in het begin zeer wantrouwig over het feit dat Pol Mussche met een vreemde getrouwd was, en dan nog wel iemand uit Knokke! Na verloop van tijd leerden ze Falle echter waarderen. Ze was weliswaar ongeletterd, want ze had thuis reeds als kind het hele huishouden moeten beredderen. Tijd en geld voor school was er niet. Haar moeder, Joanna Raes, en de oudere kinderen moesten namelijk gaan werken, nadat Falles vader, Leopold Viaene (1839-1877), die men Petrus noemde, in een boerenschuur werd doodgebliksemd minder dan een jaar na haar geboorte. Hij was pas 37 jaar toen hij stierf. Hij liet een weduwe en zeven kinderen achter.

Het was rond zes uur ’s avonds toen op donderdag 21 juni 1877 een zwaar onweer over Knokke trok. Een groepje landarbeiders ging schuilen in de schuur van pachter Bernard Gallens. Plots kwam de bliksem door een watergoot onder de schuurpoort naar binnen gevlamd, en schoot via dezelfde weg weer naar buiten. Binnen in de schuur had de bliksem het droge stro in een oogwenk in lichterlaaie gezet. De meeste dieren konden in veiligheid gebracht worden, maar twee van de mannen kwamen om het leven. Hun lichamen werden kort nadien in het smeulende puin teruggevonden. De ongelukkige slachtoffers waren de jonge paardenknecht Filip Cadelion en de werkman Petrus Viaene, Falletjes vader. Zijn vrouw, die 39 was, stond er alleen voor. Falles oudste zuster en broer, Stefanie en Richard waren 16 en 15 jaar oud en gingen in dienst. De andere kinderen Amelie, Donaas, Victorine en Rozalie, die tussen de tien en vier jaar waren, moesten voor de baby zorgen, tot ze groot genoeg waren om zelf te gaan werken.

Pol Mussches Zeebrugge 34 werd door iedereen “de sloepe” genoemd. Het vaartuig trok namelijk zeer goed op het Franse scheepstype dat “chaloupe” heette. Het had een scherp voorschip, een lage achtersteven en was makkelijker te hanteren dan veel andere scheepstypes. De bodem van de vissersboot bestond uit een gepiekte rondspant waardoor het met een grotere diepgang heel wat stabieler was dan de vroegere platbodems. Daardoor kon ook zwaarder vistuig over de zijde gezet worden. De bouw van dergelijke sloepen week echter af van haven tot haven en van scheepswerf tot scheepswerf. Vaak liet de reder tijdens de constructie nog wijzigingen aanbrengen. Ook Pee Mussche liet zijn sloepe op maat maken. Hij had namelijk jarenlang de goeie en slechte kwaliteiten van de andere vissersvaartuigen bekeken. Hij wist welk vaartuig goed met of tegen de wind zeilde, welke schuit het snelst kon spetteren en welk vaartuig zich het best gedroeg bij stormweer. Pol Mussches doel was een vissersschip met hoog rendement. Elke visdag, moest in zijn boekje ook een vangdag zijn.

Het tweede schip kocht Pol Mussche in 1928. De Zeebrugge 5, Yvonne Maurice, was een tweedehands vaartuig waarvan de kiel reeds in 1918 was gelegd, bij afloop van de Eerste Wereldoorlog dus. Het was op dat ogenblik het grootste vissersvaartuig in Zeebrugge. Twee schepen was geen luxe als men weet dat Metje en Pee tien kinderen hadden en alle jongens op zee hun kost verdienden. Ook sommigen van de aangetrouwde waren of werden visser.

CALUS

Frans Vantorre, die bij het begin van de oorlog 43 jaar was, werd door iedereen Calus genoemd. Hij stapte als oudste zoon al snel in de voetsporen van z'n vader Pol Mussche, en werd reder. In het begin van de jaren ’30 was Calus de eerste die startte met de bordenvisserij. Hij experimenteerde er rond 1932 mee aan boord van zijn eigen vaartuigje, de Heist 34. De garnaalvanger, die in 1927 was gebouwd, werd door hem vernoemd naar z'n oudste twee kinderen “René Mariette”. Bij de bordenvisserij wordt één net achter het vaartuig gesleept. Het net wordt opengehouden door twee grote visborden. Deze zijn zo gemaakt en aan de vislijnen bevestigd dat ze een zekere hoek vormen met de sleeprichting. Door de druk van het water worden de visborden naar buiten geduwd, waardoor het net opengehouden wordt. Een tijdlang werd op deze wijze ook op sprot gevist. De sprotvisserij liep echter al gauw op z’n einde wegens geringe vangsten. De Heistse visserij zocht de oorzaak in het wegvallen van de paaigronden door het afsluiten van de Zuiderzee (het huidige IJsselmeer).

Soms werpt de zee de vissers meer dan enkel zeebanket in de schoot. Dat gebeurde op 13 september 1938 toen het Zweedse vrachtschip “Nippon” ter hoogte van Blankenberge zinkend was. Het nog nieuwe schip, eigendom van de Zweedse Oost-Aziatische Compagnie uit Gotenburg, werd rond middernacht aangevaren door de Franse cargo “Aisne”. De Fransman was even tevoren ter hoogte van Nieuwpoort, trouwens ook reeds op het visservaartuig Oostende 204 “Madeleine-Hubertine” gebotst. De Nederlandse sleepboot “Goliath” uit Vlissingen slaagde erin een aantal opvarenden van de “Nippon” van boord te halen, waaronder de vrouw van de kapitein. De Zeebrugge 29 “Irène-Rosette” van reder Louis Van Dierendonck redde twintig opvarenden en bracht ze in Zeebrugge aan de wal. De “Nippon”, met een zeer gevarieerde cargo aan boord, zonk niet helemaal weg maar bleef op een zandbank steken. De vissers zagen het als een geschenk van boven. In de dagen en weken die volgden voeren Heistse, Zeebrugse en Blankenbergse vaartuigen, als het weer het toeliet, bij laagwater op strooptocht naar het wrak. Vooral de kleinere vaartuigen konden makkelijk langszij komen. Dat betekende een meevaller voor Calus. Hij liet de vis waar ze was en trok op porseleinvangst. In het ruim van de “Nippon” lag naast balen wol, hout en zware moto’s ook een toplading die bestond uit honderden koffie- en vooral theeserviezen in extra dun Japans porselein. Bij de Musschen pronkte dan ook al snel duur Japans porselein in de kast. De rest verkocht men. Na maanden strooptocht kwam ook de werkelijke lading aan het licht: oorlogsmaterieel voor Hitler. Tegen die tijd was ook het gerecht in actie gekomen en volgden huiszoekingen bij heel wat vissers. Volgens de wet op de strandvonderij hadden de vissers alle goederen die ze meebrachten van het wrak moeten aangeven aan de strandvonder. In Heist was dat de burgemeester, op dat moment Felix Demyttenaere. Uiteraard gebeurde dat niet, want de vissers gingen er van uit dat alles wat van zee kwam hen toebehoorde en niet de Belgische staat. Aldus waren de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog vaak moeilijke maar soms ook avontuurlijke tijden geweest voor de Musschen. Door te investeren in nieuwe schepen en middelen, en met af en toe een meevaller, hadden ze echter toch vrij goed hun brood verdiend.

DE HEISTSE VISSERIJ

De Heistse visserij had trouwens de voorbije duizend jaar meer slechte tijden dan goede
meegemaakt. Gedurende vele jaren werden de netten soms helemaal niet uitgegooid. De
Oostenrijkse tijd bracht verbetering omdat de import van met name haring verboden werd en het eigen product dus beter aan bod kwam. De Heistse gemeenteraad omschreef de vissers in de 19de eeuw trouwens nog als "zeedrifters", en dat terwijl één van de Heistse burgemeesters, Simon Schoutteeten (burg. 1829-1854), destijds zelf een vaartuig had! In 1827 waren er in Heist 113 gezinnen. Daarvan waren er 31 vissersfamilies en 11 landbouwgezinnen. Onder de vissers vinden we een aantal familienamen, waarvan sommige afstammelingen ook nu nog in de visserij bedrijvig zijn: Franciscus De Groote, Pieter Gheselle, Joseph Devoogt, Philippe Vandierendonck, Joannes Vlietinck, André Brouckaert, Domenicus Savels, Joannes Vantorre, Nicodeum Neyts, Pieter Vantorre, e.a.

Pas na de onafhankelijkheid kwam de visserijsector in Heist geleidelijk tot een grotere bloei. Lang voor Zeebrugge een vissershaven had werd in Heist door de vissers met kleine houten schepen vanaf het strand in zee gestoken. De Heistse visserssloepen werden bij hoog tij op het strand geleid en bij laag tij lagen zij droog. Om het stranden te vergemakkelijken hadden de visserssloepen een brede, platte bodem. Een Heistse visserssloep was gemiddeld 10,30 meter lang, 4 meter breed en 2 meter diep. Met deze primitieve vaartuigen bleef men maximum 36 uur op zee. Er werd op verscheidene diepten gevist. De visgronden, die “leggers” genoemd werden, lagen echter nooit lager dan 40 vaam (circa 73m) diep. In onze wateren kreeg men destijds vooral pladijs, rog, tong, schar, wijting, pieterman, schelvis, tarbot en griet in de netten. Op kleine schaal en op bepaalde tijdstippen werd ook haring en sprot gevangen.

Maar omdat de stenen dijk op het Heistse strand tussen 1855 en 1870 werd verlengd, ondervonden de vissers steeds meer moeite om met hun sloepen te stranden. Tijdens het zomerseizoen werd een deel van het strand voorbehouden voor de eerste badgasten. Ook hadden de vaartuigen op het strand teveel te lijden van de elementen. Op 1 en 2 december 1867 woedde een dermate zware storm aan onze Oostkust dat de Heistse vissersvloot zwaar werd toegetakeld. “Talryke visschersschuiten werden verbryzeld. Geheel het strand is bedekt met koorden, netten, planken en allerlei gerief. Het is schrikkelyk en aendoenlyk om aenschouwen hoe de gansche bevolking op het strand huilend en wanhopend, heen en weer loopt. Dit tempeest heeft veel huisgezinnen in de grootste armoede gedompeld”. Dat werd destijds genoteerd in de “Provinciale Almanak van West-Vlaanderen”. Tijdens dezelfde storm werd ook het Noorse koffschip “Staren” op het strand van Knokke geworpen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Heistenaren vier jaar later zeer sterk aandringen om een schuilhaven te bouwen. Om de ellende van de Heistse vissers te helpen lenigen gaf “La Réunion Musicale de Bruges” een concert in de stadshallen. Ook de bekende Franse schrijver Victor Hugo was diep getroffen door het leed van de vissers. Op de première van zijn romantisch drama “Ruy Blas” in Brussel stond hij zijn auteursgage af aan de Heistse getroffenen.

Vanaf 1870 werd ook de garnaalvisserij belangrijk voor de Heistse vissers. Dat moest wel, want rond die tijd werd steeds meer gewone vis ingevoerd uit het buitenland, zodat de prijzen kelderden. Het was Anselmus Vantorre die als eerste een schuit aanpaste om er garnaal mee te vangen. Yvonne Vantorre (Yvonne van Pol Mussche) herinnert zich deze naam nog uit de verhalen van Pee Mussche. Alhoewel het niet zeker is, bestaat een sterk vermoeden dat de bijnaam Mussche, die vroeger als Mus werd uitgesproken, teruggaat op de tweede helft van de voornaam Anselmus. Een bijnaam was broodnodig in Heist want in die tijd droeg zowat de helft van de inwoners de naam Vantorre of Van Torre. In dezelfde straat waren er soms wel 5 mensen met dezelfde voor- en achternaam. Zonder bijnaam zou complete chaos heersen.

In die begintijd van de Heistse garnaalvisserij werden de garnalen aan de wal gespoeld, gezeefd en gekookt. Enige tijd later gebeurde dat koken echter reeds in een speciale "does" op het dek, binnen het uur na de vangst. Daarna werd het zeebanket zo snel mogelijk weer afgekoeld. Op die manier zorgde men ervoor dat de Noordzeedelicatesse niets van haar smaak moest inboeten. Zo kregen de garnalen ook hun bekende bruinroze kleur en gekromde vorm. De Heistse kookmethode voor de grijze Noordzeegarnaal zorgde ervoor dat deze lekkernij al snel op het menu stond in de belangrijkste Parijse restaurants...
De druk op de Heistse visserij bleef echter zeer groot vanwege de import van grote hoeveelheden vis. Tegen het einde van de negentiende eeuw ging de visserij fors achteruit, waardoor de toestand van de Heistse vissersgezinnen nog erbarmelijker werd. In 1887 brak aan onze kust dan ook de fameuze vissersopstand los. De vissers verzetten zich met hand en tand tegen het lossen van goedkope vis uit Engeland. De strijd was moeilijk voor de toen meestal nog ongeletterde vissers. Het feit dat de vissers niet konden lezen zorgde er verder voor dat ze hun eigen visbennen niet herkenden aan een naam of nummer, maar aan de typische eigen manier waarbij voor elk vaartuig witte wissen in de manden gevlochten werden om ze te markeren. In 1878 bestonden er in Heist 28 verschillend gemerkte visbennen.

Omdat vanaf het Heistse strand van wal werd gestoken hadden de vaartuigen destijds een H-registratienummer. In 1907 voeren liefst 66 vissersschepen met een Heist-registratie. In 1906 was ondertussen in Zeebrugge een schuilhaven voor de vissers in gebruik genomen. Drie jaar later werd in een houten loods de eerste vismijn ingericht. Voor het gros van de schepen naar Zeebrugge verlegde waren er in 1920 in Heist nog 246 vissershuisgezinnen met 347 varende vissers. Tot kort na de Eerste Wereldoorlog voeren de meeste vissersvaartuigen nog met zeilen. Maar rond 1930 hadden praktisch alle vissersschepen een motor. Dat stelde de vissers niet alleen in staat om meer zeedagen te presteren, maar een lier die met de motor verbonden was maakte het veel makkelijker om de netten binnen boord te hijsen. Nu de schepen niet meer moesten op het strand getrokken worden verdwenen ook de platte bodems en werden grotere vaartuigen gelegd met een kiel, en een betere stabiliteit.

DE "PHONEY WAR"

Reeds maanden voor Duitsland ons land binnenviel, in mei 1940, moesten de Vlaamse vissers op hun hoede zijn voor drijvende mijnen, die overal in de buurt van havens en drukke scheepsroutes een gevaar vormden. Deze zeemijnen, waarvan sommige ook magnetisch, werden zowel door de Duitsers als door de Britten in zee gedropt. Ze lagen in ondiep water op de bodem of waren verankerd. In de periode tussen de Britse oorlogsverklaring op 3 september 1939 en 10 mei 1940 werden 7 Vlaamse vissersvaartuigen door zeemijnen of andere oorlogsdaden gezonken. Daarbij verloren 25 vissers het leven, waaronder 5 uit Heist. Onder de vaartuigen de Heist 58 (Santa Godelieva), de Heist 85 en de Zeebrugge 47 (Yollande Marguerite). Dit laatste schip werd door een vliegtuig zwaar beschoten en mogelijk gebombardeerd. Dat gebeurde in hetzelfde gebied waarin tevoren ook reeds Vlaamse vaartuigen onder vuur waren genomen door Franse vliegtuigen ! Later werden wrakstukken van de Z 47 opgevist. Bij dit oorlogsdrama vond onder meer Pieter Vroome de dood, hij was amper 20 jaar en de kostwinner voor zijn reeds bejaarde ouders Wardje Vroome en Alice Paeme, die in de Ronde te Zeebrugge woonden. Nadien verloor het echtpaar ook nog hun enig ander kind Mariette. Zij kwam samen met haar man om tijdens een bombardement in Duitsland...

Het in die maanden net voor de Duitse inval dat het grote risico de reders ertoe noopte zich te verenigen en beter te verzekeren. Leopold Vantorre (Pol Mussche) was in 1940 één van de mensen die samen met broer Robert Vantorre en August Van Heetvelde, Karel Giese en nog zes andere reders uit Heist, Zeebrugge, Blankenberge en Oostende het voortouw nam voor de oprichting van een coöperatieve. De maatschappij zou de vaartuigen verzekeren en tevens bemiddelen bij de aan- en verkoop van vissersvaartuigen. Dit laatste moest meteen ook een halt toeroepen aan allerlei oneerlijke praktijken die zich op dat vlak de voorbije jaren hadden voorgedaan. Uit deze coöperatieve ontstond later de “Samenwerkende Maatschappij Hulp in Nood” met hoofdzetel in Oostende onder leiding van Pros Vandenberghe en een agentschap in de Bondgenotenlaan in Heist. Op een gegeven moment verzekerde de vennootschap circa zestig procent van de Vlaamse vissersvloot.

Door het steeds groeiende gevaar van de zeemijnen werd echter na enige tijd door veel van onze vissers 's nachts niet meer uitgevaren. Het bevissen van een aantal visgronden en
haringbanken was door de mijnen zo goed als onmogelijk gemaakt. Het was de tijd van de
zogeheten "phoney war", een Amerikaanse uitdrukking die op den duur overal ingang vond. De Britten hadden het eerder over de "Bore War" (een woordspeling op de "Boer War" in Zuid-Afrika) of "the funny war" en "the strangest of wars". Deze schijnoorlog werd door de Fransen "drôle de guerre" en door de Duitsers "Sitzkrieg" genoemd. Dat zou echter spoedig in "Blitzkrieg" veranderen!

MOBILISATIE

De algehele mobilisatie werd in ons land afgekondigd in augustus 1939 toen Hitler Polen
bedreigde. Eigenlijk was een geleidelijke mobilisatie reeds in 1938 begonnen. De Musschen in Heist maakten er de komende weken en maanden kennis mee omdat ook een aantal van hen onder de wapens geroepen werden. Leon Decorte (beenhouwer Leon Kaas), die met Lisette Vantorre getrouwd was, kwam op een dag rond 6u in de ochtend met een paar bonzen op de deur afscheid nemen van de familie in de Noordstraat. Gilberte Beirens (Gilberte van Louise van Pol Mussche) herinnert zich het angstwekkende gebons in de vroege morgen als het moment waarop voor haar de Tweede Wereldoorlog begon. Ook Willy Demey, de man van Yvonne Vantorre, die fabrieksarbeider in Zeebrugge was, moest onder de wapens. Hetzelfde lot was elektricien Albert Van Welden beschoren, die met Marie Vantorre (Marie van Pol Mussche) getrouwd was. Hij kwam bij het paardenvolk terecht. Uiteindelijk leefden in ons land toen zo'n 600.000 mensen gedurende geruime tijd op oorlogsvoet. Toch troffen de Musschen geen noemenswaardige voorbereidingen voor een eventuele vlucht. Men vertrouwde erop dan de geallieerden Hitler wel zouden aankunnen. Dat was natuurlijk bijzonder fout gerekend.

HOOFDSTUK 2: DUITSE INVAL

DE EERSTE OORLOGSDAGEN

Het was op vrijdag 10 mei 1940 om half vijf 's morgens dat Duitse troepen ons land binnenvielen. Omroeper Jos Servotte kondigde de zogenoemde "aanvallende bewegingen" met de grootste omzichtigheid aan op de NIR radio. Ruim voor die tijd hadden Duitse vliegtuigen ons luchtruim echter reeds geschonden. Rond 5u in de ochtend hoorde men in Heist al doffe ontploffingen. De Luftwaffe bestookte in alle vroegte reeds het vliegveld van het Zoute in Knokke met boordvuur en zware brisantbommen. Ongeveer tien toestellen van de Belgische luchtmacht, die een paar dagen tevoren in Knokke waren neergestreken, gingen daarbij in de vlammen op. Acht Belgische soldaten vonden bij dit bombardement de dood. Vlakbij Sluis slaagden de Nederlanders erin om één van de Heinkel-111 bommenwerpers tot landen te dwingen. De drie inzittenden, waarvan er twee gewond waren, werden krijgsgevangen genomen. Tijdens de nacht voorafgaand aan de Duitse inval hoorde men in Heist en Zeebrugge ook vliegtuigen boven zee. Het waren zeven toestellen van de "Fliegerdivision 9", die mijnen gooiden voor onze kusthaven. De vliegtuigen zetten ook mijnen uit bij Oostende, Vlissingen, in de Schelde, bij Hoek van Holland, IJmuiden en Den Helder. Het ging in totaal om een honderdtal mijnen. Meer van die tuigen werden de volgende nacht voor de havens afgeworpen. Toen werden zesendertig Duitse vliegtuigen ingezet voor de operatie. Heist bleef voorlopig gespaard van een bombardement. De eerste dag van de oorlog kostte echter wel aan Heistenaar Leon Despiegelaere (30) het leven. Hij sneuvelde in Vroenhoven.

Op dezelfde dag nam in Engeland eerste minister Chamberlain ontslag. Winston Churchill (65), die reeds eerste Lord van de Engelse admiraliteit was, werd eerste minister van het Brits oorlogskabinet van een driepartijenregering. In zijn eerste toespraak tot het Britse Lagerhuis beloofde hij het land bikkelharde tijden: "I have nothing to offer but blood, toil, tears, and sweat: You ask, what is our policy? I will say: It is to wage war, by sea, land, and air, with all our might. You ask, what is our aim? I can answer in one word: Victory." Victorie was dus reeds Winstons slogan van het eerste uur. Het populaire V-teken kwam er pas enige tijd later, dankzij de Belgen...

De invasie van België en Nederland deed de Britten een paar uur later reeds terugslaan met een allereerste luchtaanval op een stedelijke agglomeratie in Duitsland. Zesendertig RAF-vliegtuigen bombardeerden de rangeersporen in Mönchengladbach. Er werd flink wat schade aangericht. Er viel ook één slachtoffer… een Engelse vrouw die in Duitsland woonde.

De dag na de Duitse inval in ons land verschenen in Heist Franse soldaten op doortocht richting Nederlandse grens. Van winkeliers kregen de Franse jongens sinaasappelen en andere etenswaren toegestopt. De jonge Joseph Vantorre zag ze met z'n vrienden voorbijtrekken met zijspannen en hun geschut. Anselmus Serreyn (Poye) gaf de Franse jongens telkens twee sigaretten tot z’n voorraad op was. Dit 224ste R.L. 7de compagnie 2de bataljon was bij Duinkerke gelegerd geweest en moest nu de opmars van de Duitsers in Zeeland tegenhouden. Hun bewapening liet echter veel te wensen over: hoofdzakelijk aftandse spullen en wat verouderd geschut. Vaten wijn hadden ze ook bij. Dat hoorde bij hun bevoorrading. Per bus kwamen ook Franse soldaten aan in Zeebrugge om de haven te bewaken. Heistse vissers die naar hun vaartuig wilden in de kusthaven moesten hun identiteitskaart laten zien bij het passeren van de afleidingsvaarten. Later werd ook het gros van de Franse divisie 341E R.I. naar de Belgische oostkust afgedeeld. Soldaat Marius Gaston Guironnet vertelde dat met name deze Franse legereenheid in de nacht van 22 op 23 mei een defensieve positie ging innemen in Zeebrugge aan het Leiekanaal, waarmee dus het Schipdonkkanaal aan het Sas van Heist bedoeld werd.

Het duurde echter maar kort of de Fransen, die Walcheren moesten verdedigen, bliezen weer de aftocht “met veel gewonden in hun gelederen”, herinnert zich Joseph De Clercq, die ze in Blankenberge bij het slotklooster zag passeren op veldwagens getrokken door paarden, die ze in Zeeland bij de boeren hadden opgeëist. Aan de Sloedam op Walcheren hadden onze zuiderburen het onderspit moeten delven tegen Hitlers troepen. Daarbij waren zeventien Franse soldaten en officieren gesneuveld. De overlevenden pakten bij hun aftocht alles mee wat niet te zwaar of te heet was. Onder meer in Zeebrugge werd flink gestolen door onze plotse zuidelijke bondgenoten. Nu ook de Franse troepen de horden van de Hun niet hadden kunnen tegenhouden beseften de Heistenaars dat het menens was met de nieuwe oorlog, en ze sloegen aan het hamsteren. Inmiddels was er op 12 mei rond 11u ’s morgens ook een tweede luchtaanval geweest op het Knokse Hazegras en het vliegveld van het Zoute. Knokkenaars vader en zoon Eggermont, die op het vliegveld werkzaam waren, en een paar bewoners van het Hazegras werden de eerste burgerslachtoffers in de regio.

Ook de mijnen die de Duitsers in de haventoegang naar Zeebrugge hadden geworpen misten hun uitwerking niet. Op 13 mei liep een kusttanker vol brandstof op een mijn in de havengeul. De rookpluim was tot in Heist te zien. Bij de ontploffing verloor loods Lycke het leven. Ook een Deens vaartuig liep op een mijn in de nabijheid van de kusthaven en ging verloren. Zeebrugge stond (net als Oostende) al enige dagen onder het commando van de Franse admiraliteit in Duinkerke. Dit was gebeurd zeer tegen de zin in van het Belgisch leger. In de nacht van 14 mei arriveerden twee blokschepen uit Engeland onder begeleiding van een destroyer om de haven van Zeebrugge onbruikbaar te maken. Parijs had echter nagelaten de Franse legerbevelhebber in Zeebrugge te verwittigen. Bijgevolg begonnen de Franse eenheden in onze kusthaven het Engelse konvooi te beschieten met machinegeweren en veldgeschut. De Britten dachten dat de oostkust reeds in handen van de Duitsers gevallen was. Derhalve liet men de blokschepen voor de kust zinken en bleef de haven van Zeebrugge open. Het is dus dankzij deze Franse flater dat de Heistse vissers enige dagen later toch nog uit de kusthaven hebben kunnen de wijk nemen.

Het was donderdag 16 mei toen een eenheid van het Belgisch leger de sluisbruggen in Zeebrugge liet opblazen in een poging om de aftocht naar de westkust te dekken. Dezelfde dag verliet ook de liberale burgervader Henri Debra de gemeente Heist, officieel om gezondheidsredenen. Eerste schepen Goetinck werd als waarnemend burgemeester aangesteld. In samenspraak met brandweercommandant Sylvain Bulcke gaf hij opdracht om schuilkelders in te richten voor de bevolking. Dat zou gebeuren in de kelders van een paar brouwerijen en in het gebouw van de Socialistische Ziekenbond. De vijand wachtte er echter niet op.

VERDACHTEN OPGEPAKT

Tijdens de algemene paniek van de eerste oorlogsdagen zou ook de misdadige domheid van de Belgische Staatsveiligheid heel wat levens kosten. Telkens er wapengekletter dreigt worden lijsten opgesteld van verdachte personen, die mogelijk met de vijand zouden kunnen meeheulen. In ons land was het niet anders, doch het gebeurde op weinig doordachte wijze. De lijst bevatte niet alleen de namen van Duitsers, Oostenrijkers en Italianen met Nazi-sympathieën maar ook de namen van joden die Hitlers regime waren ontvlucht en in België onderdak hadden gevonden. Ook op de lijst Italiaanse antifascisten, Duitse tegenstanders van Hitler, communisten, Vlaamse nationalisten, rexisten en eveneens mensen waarvan de kop de Staatsveiligheid niet aanstond.

Bij de Duitse inval kregen politiemannen en rijkswachters de opdracht om de mensen op deze lijst uit hun huizen te halen en “voor hun eigen veiligheid” op te sluiten. Zo werden ook in het Brugse vele tientallen mensen zonder geldige reden in de gevangenis gegooid. Toen de vijand verder opdrukte vulde de directie van het Pandereitje drie bussen met verdachte personen en stuurde ze richting Frankrijk. Onder de 78 gevangenen die aldus op transport gesteld werden bevonden zich onder meer ook zes Nederlanders, een Fransman met een accent uit de Elzas, twee Zwitsers, een Canadees, Joris Van Severen, de chef van Verdinaso, zijn secretaris Jan Rijckoort en verder Léon Degrelle, het hoofd van Rex. In Duinkerke slaagde Degrelle erin te ontkomen met hulp van een groepje Franse militairen. Vervolgens werden de resterende 77 verdachten in Béthune overgedragen aan de Franse Sûreté en daarna vervoerd naar Abbeville en opgesloten in de kelder van een kiosk. Toen de Duitsers op 20 mei deze Franse kustplaats naderden begonnen dronken Franse soldaten de Belgische verdachten af te slachten. Pas als de (nuchtere) Franse luitenant Jean Leclabart op het toneel verscheen liet hij het bloedbad stopzetten. Ondertussen waren 21 van de verdachten uit België reeds dood. Onder hen ook Joris Van Severen, Jan Rijckoort, vier Italiaanse tegenstanders van Mussolini, een oude vrouw, de toevallige bestuurder van een opgeëiste witloofwagen waarmee sommige van de gevangenen vervoerd waren en mogelijk ook zelfs een paar mensen die werkelijk spion waren...

BOMBARDEMENT VAN DE HEISTSE MEULENHOEK

Precies een week na de Duitse inval viel Brussel in handen van de vijand en kende ook Heist z'n bombardement. In de Meulenhoek vielen in de avonduren van 17 mei 1940 vier bommen bij het slachthuis van Heist. Er waren in totaal zeven slachtoffers te betreuren, allen Heistenaars tussen de 8 en 57 jaar. Onder meer Guillaume Oppalfens (57), de grootvader van advocaat Oppalfens. Hij kwam uit z'n café aan de Grote Markt en werd geraakt toen hij naar de politie in het stadhuis liep. Maurice Ackx, die met velen uit de Westkapellestraat gevlucht was naar het kasteeltje “De Regenboog” van Baron Allard (“de Rode Baron”), vertelt hoe hij landbouwersknecht Louis Desmedt zag komen aanlopen. Hij weende luidop en riep: "Ze hebben m'n vrouw en dochtertje doodgesmeten". Z'n vrouw Romanie Mallefeydt was 41 en dochtertje Simonne Desmedt was amper 8 jaar toen de Duitse bommen een einde maakten aan hun leven. Er waren ook tientallen gekwetsten. Vermoedelijk waren de bommen eigenlijk bedoeld geweest voor de haveninstallaties in Zeebrugge. Antoine Allard (1907-1981), de Rode Baron, was een gefortuneerde bankierszoon en kunstenaar. Na de oorlog wilde hij met name atoomvrije zones uitroepen; ondermeer in en rond Westkapelle. In de jaren zestig werd hij de stichter van Oxfam in België.

Het was 21.30 u. Albert Josephus Beirens (Berten), een visser die met Pol Mussches oudste dochter Adrienne Marie Vantorre (Louise van Pol Mussche) getrouwd was, stond in de Noordstraat net op het punt om naar bed te gaan toen hij het fluiten van de bommen hoorde. Hij herkende het bange geluid uit de eerste oorlog en was direct in paniek. Had Louise hem niet tegengehouden dan was hij in z'n hemdeslippen de straat opgerend. In het bombardement liepen ook heel wat gebouwen flink schade op en er was verder heel wat glasbraak. “Voornamelijk bij Café Malevientjes in de Pannenstraat lag veel glas op de trottoir” zegt Gilberte Beirens. Dat maakte een weg banen door het verduisterde Heist extra moeilijk en gevaarlijk. Na het bombardement trok het hele gezin als door een magneet getrokken naar Metje Mussches in de Onderwijsstraat. “Alsof metje de bommen zou tegenhouden”. Ook wilde iedereen horen welke raad Pee Mussche (Leopold Vantorre) (69) zou geven in verband met de oorlogstoestand.

Lisette Vantorre, wiens man Leon Decorte (Leon Kaas) dienst deed in het leger, runde op dat moment samen met een jonge knecht uit Loppem de beenhouwerij van haar man in de Onderwijsstraat. Ze werd tijdelijk in het huishouden geholpen door haar zuster Yvonne. De man van Yvonne, Willy Demey, was eveneens een aantal weken tevoren onder de wapens geroepen. Lisette werd door het bombardement zeer aangegrepen. Ze wilde kost wat kost zo snel mogelijk "naar moeders". Dat was in feite slechts een paar huizen verder aan de overkant van dezelfde straat. Toen de piepjonge knecht, die normaal de toer verzorgde voor de beenhouwerij, vroeg wat er met hem zou gebeuren, zei Lisette "hier, pak een fiets en rij vlug terug naar Loppem" omdat hij bij z'n familie in het binnenland veiliger zou zijn. Even later zaten Yvonne, Lisette en haar zoontje Germain in de geborgenheid van het ouderlijk huis. In de uren die volgden arriveerden ook de andere leden van de Musschenfamilie. De jeugdige Joseph had het enkel ooit met nieuwjaar zo druk gezien bij Metjes; als iedereen kwam om dreupels te drinken, en koekenbrood, kaantjes, en ingelegde haring met veel schijfjes ajuin te eten. Dit keer stond de kop van het Musschenvolk echter niet naar eten en drinken. Niemand sprak van naar huis gaan en die nacht sliep iedereen zo goed en zo kwaad het kon in het grote diepgebouwde redershuis. Anderen in Heist gingen meteen de boer op en schuilden vaak op het land in droge grachten.

DE MUSSCHEN VLUCHTEN UIT HEIST

Zaterdag 18 mei trok Pol Mussche naar Zeebrugge om te kijken of er schade was aan de vaartuigen en om met andere reders te palaveren over de toestand. Hij kwam met slecht nieuws thuis. “Moeder, we gaan iets moeten doen” zei hij tegen zijn vrouw. “Er zijn al heel wat vissersschepen gevlucht. De Fransen in Zeebrugge zeggen, dat als de Duitsers nog verder oprukken, ze al de vaartuigen in de grond moeten ‘draaien’”. De schrik sloeg Metje om het hart. “Als ze dat doen zijn we alles kwijt waar we heel ons leven voor gewerkt hebben” ging Pee verder. Hij wist dat het niet zomaar een dreigement van de Fransen was. In Breskens hadden de terugtrekkende Fransen nog maar net alle vaartuigen in de haven tot zinken gebracht. Ook de veerboten ‘Prinses Juliana’, ‘Oosterschelde’ en ‘Prins Hendrik’ van de Provinciale Stoombootdiensten hadden ze gekelderd of in brand gestoken. Trouwens, wat zouden de Duitsers doen? In de eerste oorlog hadden de moffen een veertiental oude vaartuigen, die in Heist achtergebleven waren, vernield of als schietschijf gebruikt. Gelukkig waren tevoren meer dan vijftig Heistse vaartuigen ontkomen naar Nederland en twee naar Engeland.

“D’er zit niks anders op dan te vluchten met al de schepen, langs de kust weg, tot in Frankrijk” zei Pee tenslotte. Metje zuchtte en duizend bange gedachten flitsten haar door het hoofd. “Na vierendertig jaar plots haar mooie huis verlaten voor een onzeker leven in Frankrijk!” Ze herinnerde zich nog goed de dag toen ze in de Onderwijsstraat kwamen wonen. “Berta was nog een baby.” Bij het einde van de verhuis kwam haar schoonbroer Pier Mussche aangewandeld met de kleine in haar wieg op zijn schouder. Hij mankte hevig vanwege zijn slechte heup, maar hij hield de wieg en haar jongste spruit stevig geklemd.

Falletje wist zeker dat ze het “op den vreemde” niet zou gewend worden. Haar oudere broer had dat wel gekund. Hij zat al jaren in Australië. Maar haar tante Amelie Raes uit de Judestraat had zich in Amerika helemaal niet kunnen thuisvoelen. Zij was er in 1892 naar toe getrokken, met nonkel Gust Bassens, die metser was, en Falletjes piepjonge nichtje Marie. Dertien weken onderweg met de Red Star Line! Maar zes jaar later stonden ze met pak en zak weer in Knokke, en met de kleine Pieter en Charles, die in Amerika geboren waren. Ongewild dacht Metje aan haar favoriete nichtjes Marie en Irma Bassens. Wat zou er met hen gebeuren, nu het oorlog was? Zouden ze moeten vluchten? Ze hadden ook al genoeg meegemaakt. Eerst het mislukte avontuur in Milwaukee en dan in september 1917 was hun broer Pier gesneuveld in Kaaskerke als soldaat in het 23ste Linieregiment. Hij was amper 23 geweest. Metje moest haar oudste dochter gelijk geven. Louise, die voor elke situatie een spreuk of een gezegde had, zei altijd “van zohaast je van je ‘zulle’ stapt, ben je op de dool”. Hier, in haar huis, had Falletje zich steeds veilig gevoeld. Zelfs in de eerste oorlog was ze haar woning niet uitgemoeten, en toen waren de Duitsers ook gekomen. Maar ja, in die tijd hadden de Musschen nog geen schepen. Nu lag het anders” mijmerde Metje.

Voor hij naar Heist was teruggekeerd had Pol Mussche reeds de nodige orders gegeven aan zijn zoon Victor Vantorre om de vaartuigen klaar te maken voor vertrek. De Rus verbleef al enkele jaren in Zeebrugge in een barak bij de werf, vlak aan de schuurbank. Hij woonde samen met Madeleine Snauwaert. Ze hadden zelfs al een dochtertje. Victors zus Marie Vantorre was er meter van. De Rus had Madeleine leren kennen enige tijd nadat zijn vrouw, Germaine De Clerck, hem circa 1930 had laten zitten. Germaine had een pak schuld gemaakt en was plots met de noorderzon vertrokken terwijl hij in zee was. Pol Mussche had de Rus nog zo gewaarschuwd niet met haar te trouwen. Zelfs op de trouwdag zelf, 27 november 1925, toen burgemeester Debra op het punt stond om de huwelijksceremonie te beginnen, fluisterde Pee Mussche zijn zoon nog in het oor “doe het niet. ’t Geeft niet dat we al die kosten al gemaakt hebben. Maar trouw er niet mee!” Maar de Rus, die toen bijna 22 was, dreef zijn gedacht door. Hij kocht een huisje in de Panneslag, maar in plaats van het af te betalen, gooide Germaine het geld door deuren en vensters naar buiten. Wat hij haar echter nooit zou vergeven was het feit, dat ze vertrokken was zonder iemand te verwittigen. Ze had de kleine Joseph, die nog geen drie jaar oud was, gewoon op de drempel van het huis laten zitten. Het ventje wist niet wat er gebeurd was, wist niet waar naar toe en weende z’n hart uit het lijf. Buren zijn toen naar Falletje gelopen met het nieuws. En zo kwam de kleine Joseph bij zijn grootouders terecht. Germaine zou de Rus echter ook later nog flink de duivel aandoen.

Albert Beirens (Berten), vrouw Louise en de kinderen Karel (Charles), Maurice en Gilberte waren inmiddels op diezelfde zaterdag vanuit hun woning in de Noordstraat naar Dudzele getrokken. Daar mochten ze bij een boer in de schuur overnachten. Die dag was het Belgisch leger teruggevallen tot in Gent en werd het militair hoofdkwartier in een kasteel bij Brugge ondergebracht. Tijdens de nacht zagen ze vliegtuigen schieten op installaties bij de Zeebrugse cokesfabriek. Daarna werd het weer rustig, alsof de oorlog maar een kwade droom was. Zondagmorgen reed Berten (45) per fiets terug naar Heist om bij Metje Mussches te bespreken wat er te doen stond. Toen hij er aankwam was iedereen zich aan het klaarmaken om naar de vaartuigen in Zeebrugge te gaan. Pee Mussche zei tegen Berten: "Ga achter je volk. 't Moet al mee". En Pee sloeg de noten toe. Zijn wil was wet.

Die wil gold ook voor de getrouwde dochters wiens man bij het leger was. Ook zij moesten mee op de vlucht en mochten niet zelfstandig achterblijven. Willy Demey (26), de man van Yvonne Vantorre (25), had voor zijn vertrek naar het leger nog gezegd tegen haar: "Wat er ook gebeurt, blijf waar je bent, ik kom toch terug". Maar Pee Mussche wuifde dat weg en zei tegen z'n getrouwde dochters: "Als jullie man niet terugkomt, van waar gaan jullie eten halen?!" "En" voegde hij eraan toe "we gaan jullie mansvolk in Frankrijk wel tegenkomen". Uiteindelijk moesten Lisette, Marie en Yvonne hem gelijk geven, en gingen ze snel naar huis om wat kleren in te pakken. Yvonne herinnert zich dat ze kleren in een bundel deed en ook in een ouwe valies. Toen ze vele dagen later alles uitpakte merkte ze dat ze meer kleren voor haar man had meegenomen dan voor haarzelf... Ze hoopte namelijk dat hij zou kunnen achterkomen. Het was de bedoeling van het Musschennest om even over de grens de dingen af te wachten, maar zoals we nu weten pakten de zaken heel anders uit.

Terwijl de rest van de familie al volop aan het inpakken was arriveerde Berten met het zweet op z'n gezicht terug in Dudzele. Hij had een tweede fiets mee voor de jongens Charles (bijna 18) en Maurice (bijna 17), om direct terug naar Heist te keren. Hij vertelde ze in korte bewoordingen dat Pee wilde dat de hele familie samen zou vluchten met de drie schepen. Louise (41) en Gilberte (9) kwamen te voet achter. Het was een stralende lentedag. Er moest zo snel mogelijk gevlucht worden. Men zou naar Frankrijk varen, want tegen dan zou men de Duitsers wel tegenhouden, "net als in de eerste oorlog" had Pol Mussche gezegd.

Ook bij Frans Vantorre (Calus) (43) in de Guido Gezellestraat werd alles in allerijl klaargemaakt voor de vlucht. Kleren en belangrijke papieren werden in een valies gestopt. Hilda Vantorre (Hilda van Calus), die toen 7 jaar oud was, weet nog dat ze samen met haar moeder, Elodie De Grootte (45), te voet naar Zeebrugge stapte. Ze hield haar favoriete pop stevig onder de arm geklemd. Ook Berta Vantorre, trok met pijn in het hart de deur van haar winkel vol etenswaren dicht, en snelde met haar man Gustaaf Savels en zoontje Pol naar de haven.

Camiel Vantorre (bijna 31) had bij voerman Fons Ceuninck, die in de Onderwijsstraat in het huis naast dat van zijn ouders woonde, paard en kar opgetrommeld voor de tocht naar Zeebrugge. Zijn vijf jaar oude dochtertje Jacqueline was namelijk ziek, en kon de verplaatsing naar de haven te voet zeker niet aan. In zeven haasten zocht Paula Martony (27), Camiels vrouw, in de Panneslag 17 wat spullen bij mekaar en gooide ze op de kar die al stond te wachten. Ook buurjongen Jerôme Nyckees kreeg van zijn vader Andries toelating om mee te vluchten naar Frankrijk. Zijn moeder, Maria Thiel, had er meer moeite mee. Ze vreesde dat ze haar jongen nooit meer zou weerzien, maar ze gaf tenslotte toch toe. Jerôme was een paar weken tevoren nog maar net 17 geworden. Tegen Camiel Vantorre had hij gezegd “als er toch moet gevochten worden, dan wil ik aan de goede kant helpen vechten”. Het was vervolgens met pijn in het hart dat Paula de deur van haar gloednieuwe huis toetrok. Ze hadden voor de bouw ook geld geleend aan boer Coornaert. Voor de oorlog was dat gebruikelijk. De gewone mensen leenden van boeren, niet van banken. Het huis van Camiel en Paula was het mooiste huis dat toen aan die slijkweg stond. Een straat zou er pas veel later komen, en niet precies waar men gedacht had, zodat het huis uiteindelijk schuin op de nieuwe Pannenstraat zou uitkijken. Even verderop werd in café de Ferry Bank halt gemaakt omdat Achiel, het gehandicapte zoontje van Leon Mussche en Angèle eveneens op de kar zou kunnen gelegd worden. De laatste stop voor ze naar Zeebrugge konden doorzetten was in Café De Zwaluw. Want ook Eugenie De Groote, de moeder van Paula, zou meegaan om wat voor de zieke Jacqueline te helpen zorgen. Het was toch maar voor een paar weken dacht men. Haar man, Victor, bleef achter in Heist om het café verder open te houden. Ze zou hem nooit meer weerzien.

Ondertussen was ook de rest van het Musschennest al onderweg naar Zeebrugge. Zij waren zonder enig talmen uit de Onderwijsstraat vertrokken. Enkele schamele bezittingen lagen op de kar van Door Coornaert. Yvonne Vantorre zegt “Je had ons moeten zien zitten op die karre. ’t Was lijk de vlucht naar Egypte”. Toen wisten de Musschen nog niet dat het de “Vlucht naar Penzance” zou worden. Bittere ernst en geen verzonnen bijbelverhaal. Als voorzorg hadden heel wat van de Musschen toch extra warme kleren aangetrokken. Dikke mantels die schril afstaken bij de zomerse temperaturen. Ook de jeugdige Joseph Vantorre had een wintermantel aan, waar hij nog moest uitgroeien. In hun haast om naar Zeebrugge te komen waren de Musschendochters op hun sloffen gevlucht. "Juist als Bohemers" herinnert zich Yvonne. Wel hadden ze schoenen in hun bundel zitten, maar er was geen tijd meer om nog uit te pakken.

Berten en de jongens hadden thuis in de Noordstraat vlug wat kleren voor het hele gezin in een wit laken gegooid en toegebonden. “Vergeet Gilberte haar zondagse kleren niet” had Berten op de valreep nog geroepen naar de jongens, die boven aan het inpakken waren. Toen ook Louise en Gilberte in Heist terugkeerden stond Flasche in de Noordstraat reeds klaar met paard en kar om kleren en een weinig huisraad naar Zeebrugge te voeren. Flassche (Constant Martony), een boerenknecht, voerde geregeld water, netten (korden) en vaatjes olie voor de schepen van de Musschen en andere reders naar de haven. Ondanks het mooie lenteweer trok Louise haar zware zwarte mantel aan. Een statige jas met een mooie bestikte brede kraag. Men kon de volslanke figuur van Louise in haar zwarte mantel al van ver herkennen. De mooie jas gaf halvelings ook de indruk dat men op reis vertrok en niet op de vlucht... De sleutel van het huis, dat nog moest afbetaald worden, werd aan Marie Baes uit de buurt gegeven, en de trieste stoet vertrok. In een mum van tijd arriveerde het gezin in de vissershaven. Daar zat de rest van de familie reeds te wachten aan boord van de schepen. Enkel de vaste vriendin van de Rus vluchtte niet mee. Madeleine bleef achter met haar dochtertje omdat ze haar zeer bejaarde ouders niet wilde in de steek laten in oorlogstijd. De Rus kon echter niet anders dan vertrekken. De schepen en de rest van de familie moesten naar veiliger oorden. Het was de laatste dagen bijzonder druk geweest in Zeebrugge, vanwege visserschepen die nog snel brandstof wilden bunkeren voor een eventuele vlucht. De drie vaartuigen en zo'n 40 familieleden, waaronder een drietal baby’s en enige vrienden voeren op die zondag 19 mei met haastige spoed het zeegat uit richting de Franse kust. Voor Camiel was het zelfs niet meer mogelijk geweest om met paard en kar terug naar Heist te rijden om er nog een paar familieleden van zijn vrouw op te halen. De tijd drong. De schepen van Pol Mussche waren bij de laatste vaartuigen om uit Zeebrugge weg te vluchten.

Het verlaten van de kusthaven was reeds vol risico's, alhoewel de opvarenden zich daar nauwelijks van bewust waren. Sedert het begin van de vijandelijkheden, negen dagen tevoren, voeren namelijk Duitse oorlogsbodems door de Wielingenpas en hadden bommenwerpers magnetische mijnen voor Zeebrugge in zee geworpen. Ook de Duitse onderzeeër U9 patrouilleerde reeds voor de Belgische en Noord-Franse kust. Zijn commandant Wolfgang Lüth had de voorbije dagen reeds de Franse duikboot Doris getorpedeerd en drie andere vaartuigen tot zinken gebracht. Onwetendheid omtrent de gigantische gevaren gaf de vissers de moed om door ze zetten. De schepen in de Musschenvloot beschikten niet over een boordradio. Er was zelfs niet eens een toestel om naar de nieuwsberichten te luisteren. Dat betekende dat men in het ongewisse was over het verloop van de vijandelijkheden van zohaast men in Zeebrugge losgooide...

OOK ANDERE VISSERSFAMILIES OP DE VLUCHT

Berten Mussche (Robert Vantorre), de broer van Pol Mussche, had die ochtend rond 8u reeds de haven verlaten met familie en vrienden. Zijn vaartuig, de Heist 14, "Ster der Zee", was vergezeld van nog twee andere vissersschepen: de Heist 52 “Leon-Laura” van reder Frans Gheselle (van Ratjes) en de Heist 66 “Leon-Lydia” van reder-stuurman Petrus Dewaele. Voor Berten Mussche was het trouwens niet de eerste keer dat hij de wijk nam voor de oorlog. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij met zijn gezin en zijn moeder naar Nederland gevlucht. Zijn vader wilde toen niet mee, en ging voor de duur van de eerste oorlog bij Pol Mussche en Falletje wonen. Berten Mussches zoon Joseph Franciscus Vantorre was trouwens in 1918 in Brouwershaven geboren. Amper 22, stond de jonge schipper nu in Zeebrugge bij het buitenvaren achter het stuurwiel van de “Ster der Zee”. In totaal had het drie-vaartuigen konvooi van Berten Mussche 39 mensen uit negen families aan boord. Onder hen de vrouw van Berten Mussche, Zenobie Gheselle (van Ratjes) en hun kinderen Yvonne, Marcel en Petrus. Ook Leonie Gheselle (Leinie), die blind was, Jan Gheselle (van Ratjes), zijn vrouw Marie Depape en hun zoon Raymond Gheselle maakten de reis mee. Raymond, die toen 13 was, zei later “de meertouwen werden losgegooid en de langste reis van mijn leven was begonnen”.

Diezelfde zondag 19 mei was in de vroege ochtenduren ook de jonge Heistse reder Theophiel De Groote uit Zeebrugge vertrokken met zijn vaartuig "H 42 Pharaïlde" en 27 familieleden aan boord. Theophiel was de broer van Elodie De Groote, de vrouw van Calus (Frans Vantorre). Zij zetten koers naar Boulogne, en belandden uiteindelijk achtereenvolgens in de Franse havens Dieppe, Fécamp en Saint-Vaast-la-Hougue, nabij Cherbourg. De "Pharaïlde", had als een van de eerste Heistse vissersvaartuigen reeds radio aan boord. Theophiel De Groote en zijn vaartuig zouden enige dagen later, opgevorderd door de Fransen, een hachelijke rol spelen bij de evacuatie van het Britse Expeditieleger van het strand van Duinkerke...

Sommige reders die hun schepen niet met eigen volk bemanden en toch kost wat kost wilden wegvluchten, zagen zich genoodzaakt om in Heist een bemanning bijeen te zoeken. Dat gebeurde met Joseph Vlietinck. Uiteindelijk slaagde hij er toch in om dankzij de bereidwilligheid van matroos-machinist Gilbert Savels (18) en zijn familie om alsnog met zijn middenslag vaartuig Heist 35 "Joseph" het zeegat te kiezen. Zij deden eerst Nieuwpoort aan, om tenslotte maandagavond 20 mei 1940 in de Franse haven Fécamp aan te belanden. Daarna ging het ook voor hen naar Engeland.

Ondertussen had het Heistse konvooi van Berten Mussche, onderweg naar de Franse kust, gauw te maken met zware problemen. De Heist 52 “Leon-Laura” kampte namelijk met zware motorpech. Er zat voor de Heist 14 niets anders op dan het stuurloze vaartuig op te slepen. Zo zou de H 52 uiteindelijk toch behouden ter bestemming komen. Ook werd het konvooi niet gespaard van zeeziekteperikelen. De jeugdige Raymond Gheselle had zich de hele ochtend weten goed te houden maar in de namiddag sloeg ook bij hem plots het akelige gevoel toe. “Ik dacht mijn ingewanden te zullen uitbraken”. Toen ’s avonds ter hoogte van Boulogne het anker werd uitgeworpen was de jongen zo uitgeput dat men hem bij zijn blinde tante in de slaapkooi legde. Hij werd pas de volgende middag wakker toen het vaartuig weer op volle zee voer, richting Engeland. De vermoeide slaper was zelfs niet wakker geworden toen de kust bij Boulogne gedurende een groot deel van de nacht gebombardeerd werd. Ook de H 42, het vaartuig van Theophiel Degroote, maakte het bombardement aan het anker mee. Toen zijn vrouw Simonne hem vroeg waar al het gerucht vandaan kwam zei Theophiel dat het gewoon de ankerketting was die tegen het schip sloeg. “Het diende tot niets om de vrouwen en kinderen aan boord ongerust te maken”, zei hij later. De Duitsers hadden die nacht ook 67 vliegtuigen van de negende Fliegerdivision ingezet om mijnen uit te zaaien in het zeegebied tussen Calais en Boulogne. Drie dagen later viel Boulogne in handen van de vijand. Op 22 mei 1940 sneuvelde bij de verdediging van Boulogne ook Zeebruggenaar Maurice Willemkens (1910-1940), die soldaat was bij het 53ste Linieregiment.

Enige tijd na de Duitse inval kregen ook de bemanningsleden van de Zeebrugse Loodsboot 6 te horen dat ze zich moesten klaarmaken om te verkassen naar Oostende, en dan mogelijk naar Frankrijk. Blankenbergenaar Robert Nefors, die toen 35 was, liet aan zijn oversten weten dat hij enkel zou meevaren als zijn vrouw Mathilde Herborn en de kinderen Jenny, Roger en René mee aan boord mochten. “We zijn weggevlucht toen we al geruchten hoorden van Duitse parachutisten die achter het kerkhof van Blankenberge zouden geland zijn” vertelde later zoon Roger Nefors, die op het moment van de vlucht bijna elf jaar was. In Oostende werden nog enkele loodsen aan boord genomen en vervolgens werd opgestoomd naar Boulogne.

Inmiddels was in Heist soldaat Willy Demey, de man van Yvonne Vantorre, uitgerekend op de vluchtzondag terug thuis in de Onderwijsstraat aanbeland. Hij arriveerde onmiddellijk na het vertrek van de Musschenvloot in een leeg huis. Hij had haar nog zo gevraagd niet te vluchten en op hem te wachten.... Buren vertelden Willy dat het "hele Musschennest" vertrokken was naar Zeebrugge. Hij is nog te vierklauwe naar de haven gesneld, maar de schepen waren reeds het zeegat uit. Weer in Heist heeft Willy, met z'n robuust uiterlijk, maar een gevoelige ziel, lang midden in de straat staan wenen. Hij zei "Hier sta ik nu, Yvonne is gevlucht, geen moeder meer en geen thuis.." Hij kon er niet over dat Yvonne weg was, naar Frankrijk, of wie weet waar naar toe...

De meeste uit Brussel weggevluchte ministers vertrokken volgens Hendrik De Man diezelfde zondag 19 mei 1940 vanuit De Panne eveneens richting Frankrijk. De vooropgestelde eindbestemming was Sainte-Adresse. Een herhaling eigenlijk van de Eerste Wereldoorlog, gezien het in die voorstad van Le Havre was dat de regering de Broqueville toen had gezeteld. In de loop van de namiddag reed Koning Leopold III uit Brugge naar De Panne om er zijn moeder Koningin Elizabeth te bezoeken. Tijdens het avondmaal deelde hij mee dat de opmars van de Duitsers niet meer te stuiten was en dat zijn besluit vast stond om hoe dan ook in België te blijven. Nadien keerde hij terug naar Sint-Andries, waar hij ’s anderendaags in de Koudekeuken fikse ruzie zou krijgen met de overblijvende ministers Pierlot, Spaak, Vanderpoorten en Denis. Na het vertrek van Leopold III uit De Panne gingen de koningin en Hendrik De Man wandelen in de duinen en zagen hoe Duinkerke in de vlammen opging.

VISSERSFAMILIES EN BELGISCHE GOUDVOORRAAD WEG UIT OOSTENDE

Het was op woensdag 15 mei 1940 dat de eerste bommen in de Koningin der badsteden gevallen waren. Ook Franse en Britse oorlogsbodems die toen op de rede voor de kusthaven voor anker lagen vormden doelwit van de aanval. Oudere Oostendenaars deed het terugdenken aan de Zeppelinaanval op de stad in de nacht van 28 september 1914. Enkel was het nu veel erger. Op de dag van het eerste bombardement op Oostende werd ook de Ibis-school gesloten en probeerden de 77 overblijvende leerlingen zo snel mogelijk thuis te komen. Bij het uitbreken van de oorlog waren reeds de vissersjongens van buiten Oostende naar huis gestuurd. Ondertussen was ook Henry de Vos, de directeur-generaal van het Bestuur van het Zeewezen, in de kusthaven gearriveerd. Hij had er zijn intrek genomen in een opgeëist hotel. Op 16 mei telefoneerde hij met de Belgische ambassadeur in Londen en gaf deze het bevel om “alle Belgische schepen, koopvaardij en zeevisserij” op te eisen. Dit telefoontje zou na de oorlog aanleiding geven tot heel wat geschillen over de vraag of de door de Vos bevolen opeising wel rechtsgeldig was. De Vos verliet Oostende korte tijd later en raakte door Duitse troepen ingesloten, zodat hij zelf niet naar Engeland is kunnen oversteken. Op 1 november 1940 werd Henry de Vos door de bezetter uit zijn functie ontheven.

Ondertussen probeerden onder meer IJslandvaarders, die hun visvangst in de noordelijke wateren onderbroken hadden, naar hun thuishaven in Oostende terug te keren om er hun familie op te halen. Ze werden echter overal door de Britse Marine tegengehouden. Er werd fel gediscussieerd via de radio, met de Navy, met de rederijen en met andere vaartuigen die nog in Oostende aan het wachten waren om te vluchten. Oostende werd op dat moment andermaal gebombardeerd. Uiteindelijk kon het van op zee via de radio toch zo geregeld worden dat de familieleden van de IJslandvaarders met andere Oostendse vaartuigen mee naar Engeland konden vluchten. Onder meer gebeurde dat aan boord van de O 262 “Edouard Van Vlaanderen” van Free Wolle. Hij verliet Oostende als één van de laatsten. De vaartuigen van de “Oostendse Rederij”, ook wel de “Rode Vloot” genoemd, kwamen weinige dagen na hun vlucht uit ons land in de voor hen zeer geschikte Ierse Zee-haven van Fleetwood terecht. De grote Oostendse rederijen waren er namelijk door Britse agenten vertegenwoordigd. In die dagen zagen ook de laatste paar mailboten naar Dover zwart van de vluchtelingen die probeerden naar Engeland te komen. Onder hen ook families van vissers die met hun vaartuig niet meer naar Oostende konden terugkeren.


Terwijl vissersvaartuigen wegvluchtten richting Frankrijk werden in Oostende aan boord van Loodsboot 4 (A4) Belgisch goud en bankbriefjes geladen ter waarde van 2,5 miljard Belgische frank. Het schip was twee dagen tevoren samen met de loodsboten A5 en A6 in Duinkerke in allerijl nog voorzien van degaussing kabels, die de stalen romp demagnetiseerden als bescherming tegen magnetische zeemijnen. De A4 was een oude trawler die in 1917 gebouwd was als de John Ebbs, FY3566, op de Cochranes werf in het Britse Selby (Yorkshire). Verkocht aan ons land werd het vaartuig omgebouwd tot loodsboot en in 1939 onder het bevel van Majoor Henry Decarpentrie uitgerust met een 47mm kanon op het achterdek en twee Maxim machinegeweren op de brug. Deze bewapening dateerde uit de Eerste Wereldoorlog. Met de machinegeweren kon men 500 kogels per minuut schieten, maar dan moest er een verse kogelriem in. De A4 gebruikte deze bewapening vlak voor de oorlog om op zeemijnen te schieten voor onze kust. In totaal werden op deze manier zo’n 33 mijnen geruimd. Een conventionele mijnenruimingsuitrusting was niet aan boord. Aldus voorzien vertrok de A4 op zondagavond 19 mei met de grote goudvoorraad naar Engeland vergezeld van loodsboot Nr 16 (MBL 16). Deze had 161 vluchtelingen aan boord. ’s Anderendaags moesten ze in Folkestone van boord. De A4, met z’n waardevolle lading, werd verder gedirigeerd naar Dartmouth en tenslotte Plymouth. Daar werd de Belgische goudvoorraad uiteindelijk gelost op 23 mei.

Alleen of in groepjes verlieten in de tweede oorlogsweek steeds meer vaartuigen de haven van Oostende. Het Belgische leger was nog present maar voor iedereen was het duidelijk dat het niet lang meer zou duren. Op ieder belangrijk kruispunt stonden een paar soldaten. Hier en daar was ook een schuttersput aangelegd, omring door zandzakjes en bewapend met een machinegeweer. Overal dacht met spionnen te zien. Iedereen met een baard en een boekentas was al meteen verdacht. De zoon van Cyriel Cogghe, die amper zeven jaar oud was, achtervolgde zo’n man met baard. Hij deed dat samen met Henri Zonnekeyn, de oudste zoon van “Charrel Miere”. Even later zagen ze bij het plein van KVGO dat drie politieagenten de verdachte man inderdaad in de kraag grepen…

Op zaterdag 18 mei 1940 hield Cyriel Cogghe het in Oostende voor bekeken. De sleutels van de woning werden aan René Lestagh (Krulle de Smid) gegeven en de familie toog per fiets naar de Rederijkaai (nu Hendrik Baelskaai). Het gezin vluchtte mee aan boord van de houten motortreiler O 264 “Frans-Elza” van Frans Legein (Siessen Lagète). Bij het inschepen moesten de vluchtelingen schuilen voor Duitse vliegtuigen die mitrailleerden en bommen lieten vallen op schepen die in de haven voeren. Marcel Legein was stuurman en aan boord bevonden zich een 25-tal Oostendenaars. Ter hoogte van Boulogne zagen de opvarenden bij het licht van de volle maan hoe Duitse vliegtuigen mijnen aan valschermen in zee lieten vallen. ’s Morgens overlegden de opvarenden van de O 246 met de vlakbij liggende O 279 “Notre dame délivrez nous” en besloten werd “niet meer te sukkelen en direct door te varen naar Engeland”. De verdere zeereis verliep rimpelloos en de vaartuigen arriveerden ’s avonds in een snikheet Newlyn. “Het eerste wat we zagen was een Britse soldaat gekleed in korte broek en tropenhelm”.

Sommige Vlaamse vissers hadden er zelfs geen erg in dat de oorlog was begonnen. Dat was het geval met de in Adinkerke geboren Oostendse schipper Rafaël Beyen, beter bekend als Katterogge. Hij voer het vaartuig Heist 81 “Madeleine-Camiel” van Anselmus Beernaert toen de Duitsers ons land binnenvielen. Vanwege een storm had Katterogge net tevoren zijn vangst verkocht in Newlyn. Eenmaal terug in het Kanaal liet Katterogge opnieuw de netten uitwerpen. Toen een Zeebrugs vaartuig passeerde vond de schipper (Vlietinck) het vreemd dat de H 81 nog aan het vissen was. De stuurman riep dan ook “Ewel, ben je nog aan ’t vissen? Weet je niet dat het oorlog is? Ze zijn allemaal aan ’t vluchten!” Beide schepen probeerden nog samen Oostende te bereiken, maar dat is ze niet meer gelukt. Ze werden verplicht naar Dieppe te varen, waar op dat moment een aanval van Duitse Stuka’s aan de gang was. Katterogge riep over de radio naar zijn vrouw op de Opex: “Laat alles in de steek! Vlucht met om het even welk schip!” Weinige uren later slaagde de vrouw er inderdaad in om een plaatsje te bemachtigen aan boord van de “Westhinder”. Katterogges vrouw was een dochter van de fameuze Oostendse visser Tsjaine Blondé.

LAATSTE MAALBOTEN VERLATEN KUSTHAVEN

Reeds begin september 1939, nadat Frankrijk en Groot-Brittannië aan Duitsland de oorlog hadden verklaard, was de verbinding met de maalboten tussen Oostende en Dover teruggebracht tot één afvaart per dag. Omdat Dover een marinehaven werd moesten de maalboten al snel in Folkestone afmeren. Dat gebeurde bij hoogwater. Vanwege het toenemend gevaar van zeemijnen werd van toen af enkel overdag gevaren. Een zeeman moest verder een extra kijkuit houden in het kraaiennest. Om in duikbootperiscopen goed herkenbaar te zijn als neutrale schepen kregen de maalboten op de romp een Belgische vlag geschilderd en in grote witte letters ook het opschrift “Belgique-België”.

Kort na de Duitse inval in ons land werd de afmeerkade in Oostende als snel overspoeld door vluchtelingen die zo snel mogelijk naar Engeland wilden. Onder hen ook veel Joden die zich tot op het laatste moment in ons neutraal land veilig hadden gevoeld voor Hitler. De directie nam ook snel maatregelen om de maalboten in veiligheid te brengen. In de ochtend van donderdag 16 mei 1940, een dag nadat de eerste bommen in Oostende vielen, vertrokken de stoomboten “Prins Philippe” en “Prinses Josephine-Charlotte” naar Folkestone. Een Duits verkenningsvliegtuig cirkelde inmiddels gedurende zowat een half uur boven de geteisterde stad. Aan boord van de twee vluchtende maalboten, een deel van de Britse kolonie in ons land, een aantal vissersfamilies en ook heel wat landgenoten die in de Eerste Wereldoorlog in Engeland waren opgevangen. Verder werden nog de administratie en archieven van het Ministerie van Koloniale Zaken aan boord van deze veerboten naar Groot-Brittannië gebracht. Tevoren lagen deze documenten tijdelijk opgeslagen in de kelders van het Casino Kursaal. De regering wilde kost wat kost vermijden dat de vijand logistieke informatie zou verwerven over de rijkdom van Belgisch Kongo. Naast de bekende bodemschatten zoals goud en koper was daar tot 1937 namelijk ook uranium ontgonnen. Een voorraad van tweeduizend ton van deze grondstof lag nog opgeslagen in de toenmalige Belgische kolonie. Het uranium werd uiteindelijk eind 1940 verscheept naar de Verenigde Staten, en vormde de eerste levering voor het Amerikaanse atoombomproject.

Ook de “Prinses Astrid”, “Prins Karel”, de “Prinses Marie-José” en de “London-Istanbul” die op de morgen van vrijdag 17 mei uit Oostende vertrokken waren afgeladen vol met vluchtelingen. Een dag later was het de beurt aan de “Prins Boudewijn” en de “Prins Albert” om naar de relatieve veiligheid van Engeland te varen. Die dag werden ook veel Belgische vluchtelingen geëvacueerd door de stoomboten “Côte d’Azur” en “Côte d’Argent” van de Dover-Calais lijn van S.A.G.A. (Société Anonyme de Gérance et d'Armement). Inmiddels was ook de maalboot “Prins Leopold” in Engeland gearriveerd. Op 19 mei werd in Oostende, naast andere doelen, eveneens de haveninstallatie van de Kanaalveren gebombardeerd.

Jeanine Jolyt, die na de oorlog in Engeland is blijven wonen, was zeven jaar toen ze met haar familie uit kusthaven wegvluchtte. De familie was op weg geweest naar de grootouders toen de politie omriep dat de Duitsers “op het punt stonden om Oostende binnen te vallen”. “We zijn niet meer teruggekeerd naar huis en zijn erin geslaagd aan boord van de laatste maalboot te komen. De kleren die we aanhadden was ons enige bezit. Onderweg werd het schip bestookt. Bemanningsleden gooiden ons reddingsvesten toe en zeiden ‘misschien moeten we jullie straks in zee gooien, maar wees niet bang we komen jullie zeker weer oppikken’. Gelukkig slaagden we er toch in Dover te bereiken. Daar aangekomen vroeg mijn broertje, die vijf jaar oud was, ‘wanneer gaan ze ons nu in zee gooien’? Na medisch onderzoek in Dover werden we in Londen opgevangen in een kerk. Later ging mijn vader in zee vanuit Fleetwood.”

Ondertussen kreeg Oostende op dinsdagavond 21 mei 1940 ook af te rekenen met de eerste brandbommen. Onder meer het winkelcentrum werd toen zwaar getroffen. Het was een ware terreuraanval met honderden brandbommen. Grote vuurhaarden woedden in de Christinastraat en de Kapellestraat. Het brandde op meer dan vijftig plaatsen tegelijk. Vijf dagen lang werd de Vlaamse kusthaven vervolgens nog gebombardeerd. Geen enkel deel van Oostende bleef gespaard. Het trieste orgelpunt viel op dinsdag 28 mei, de dag van de capitulatie, met een vernietigende aanval op het Stadhuis en de Stadsbibliotheek. Het trotse verleden van Oostende werd toen op amper enkele minuten door de vlammen verteerd. Ook het geboortehuis van de latere schilder-cineast Raoul Servais werd met de grond gelijk gemaakt. Het was een groot 18e eeuws gebouw waar ooit Napoleon Bonaparte had overnacht toen hij zijn versterkingen in de havenstad ging inspecteren. De andere materiële schade in de kustplaats was nauwelijks te overzien. In totaal werden 273 woningen volledig vernield, 241 huizen waren zwaar beschadigd en 1030 hadden lichte schade opgelopen.

SPAANSE OORLOGSKINDEREN UIT HEIST GEËVACUEERD

August De Block, de Socialistische partijsecretaris, die in Jette woonde trok zich in die eerste oorlogsdagen intensief het lot aan van buitenlandse vluchtelingen die in Heist waren ondergebracht. Vanaf november-december 1936 had de Socialistische partij via affiches, kranten en weekbladen volop propaganda gevoerd om gezinnen aan te sporen, uit solidariteit met republikeins Spanje, een Spaans kind op te nemen. Op initiatief van De Block werd het “Nationaal Comité voor de huisvesting der Spaanse kinderen” opgericht. Het “Comité” had haar zetel in het Brusselse Volkshuis. De eerste, uit Spanje geëvacueerde kinderen, die “los niños” genoemd werden, kwamen eind april 1937 in ons land aan. Na een kort verblijf in een socialistische home waar ze werden ingeënt, verzorgd, gevoed en gekleed, vertrouwde men ze toe aan onthaalgezinnen. Ook andere organisaties hielden zich bezig met de opvang van jonge Spaanse oorlogsslachtoffers. In totaal werden in België ongeveer 5.000 Spaanse kinderen geplaatst door de verschillende organisaties. Zowat de helft van hen, om en bij de 2.500, werden opgevangen door organisaties die een band hadden met de Belgische WerkliedenPartij. Ook in het home “Le Fleury” en de “Maison des Mutualistes” in Heist, kwamen op 30 mei 1937 meer dan honderd Spaanse kinderen terecht. Het vroegere Hotel Pauwels, op de hoek van de Kerkstraat en de Vuurtorenstraat, was in 1921 omgevormd tot eerste socialistische vakantiehome aan onze kust. De jonge Spaanse vluchtelingen van de burgeroorlog werden kort na hun aankomst in Heist samen gefotografeerd op de trappen van het stadhuis. In 1939 probeerde men de kinderen reeds naar Spanje te repatriëren, maar voor velen bleek dat niet te kunnen. Dat was onder meer ook het geval voor Néstor Folla, die in 1926 in Bilbao geboren was en als jongetje van nog geen elf jaar in Heist arriveerde. “Mi madre envió una dolorosa súplica a mis padres adoptivos para que me quedara a pesar de todo en Bélgica, dada la miseria que reinaba en España.” (Mijn moeder stuurde een smartelijk verzoek aan m’n adoptieouders om me ondanks alles in België te laten blijven vanwege de grote miserie die in Spanje heerste.)
Twee dagen na de Duitse inval had De Block van minister Paul Henry Spaak de dringende raad gekregen Brussel te verlaten, wat hij later die dag ook deed. De Duitsers waren namelijk op zoek naar hem. Met de auto reed hij naar Koksijde, de evacuatieplaats van het Belgische Socialistische Vakverbond. Op 13 en 14 mei hield hij zich vooral bezig met de evacuatie van de groep Spaanse oorlogskinderen en van een groep Sudeten. Deze laatsten, die na de inval van nazi-Duitsland hun land ontvluchtten, waren op initiatief van De Block eveneens in Heist ondergebracht. Ze maakten zich aldus op weg naar het zuiden een aantal dagen voor de Heistse vissers het hier voor bekeken hielden.

HOOFDSTUK 3: SCHUILEN IN FRANSE HAVENS

OP NAAR FRANSE WATEREN

Onder de omstandigheden verliep de reis van de Musschen voorspoedig. Onderweg naar Frankrijk werd door de bemanning van de schepen wel massaal braaksel gekuist afkomstig van de opvarenden zonder zeebenen. Op een gegeven moment moesten de zeezieken aan boord van de Zeebrugge 5 overgeven in een grote kolenschop. Berten ging er mee rond. Er was benedendeks niks anders meer beschikbaar. Een aantal keren werd door de zieken ook tegen de zwarte mantel van Louise aangebraakt. Ze moest haar jas verschillende keren met wat vers water weer schoonmaken. Daarna deed ze hem weer aan, alsof de zware mantel ook bescherming zou bieden bij een eventuele aanval.

Ook aan boord van de Z34, de sloepe, lagen verschillende opvarenden geveld door zeeziekte. Op een gegeven moment was nauwelijks nog iemand van de vrouwen in staat om te zorgen voor de kleine kinderen. De kleine Jeanine Vantorre (dochtertje van Leon van Pol Mussche en Angèle) riep dan ook vertwijfeld tegen een van de bemanningsleden "Nonkel Camiel, maak eens m'n pap klaar op 't gasvuur!" Zeeziek was het kind alvast niet, ze liep overal rond en haar eetlust was door de zeereis nog aangescherpt. Camiel Vantorre was de jongste zoon van Pol Mussche en de favoriete nonkel van velen uit het Musschennest. Jeanine, met een papieren hoedje op haar hoofd, bleef de hele reis voor extra opwinding zorgen door als een hazewind over dek van het slingerende vaartuig te sprinten. De vrouwen die haar achternazaten slaagden er echter niet in om rechtop te blijven en moesten hun jacht op handen en knieën voortzetten. Paula, Camiels vrouw, had bijzonder zwaar te lijden van het schommelen van het vaartuig. Het was dan ook meestal Lisette Vantorre die zich over de kleine Jacqueline ontfermde. “Lisette had zich in de beschutting van de reddingsboot gezet, die op z’n zij op dek lag vastgesjord. In de ene arm hield ze haar zoontje Germain tegen zich aangedrukt, en in de andere arm mij” herinnert zich Jacqueline Vantorre. “Aan boord voelde ik me steeds beter en ik begon meer en meer te eten.” Op het kleinste vaartuig uit de Musschenvloot, de Heist 34, trok de piepjonge Hilda Vantorre (7) in de brug de wacht op met haar vader Calus, die het schip voer. Ze bleef liever niet beneden in het roef want daar lagen de zeezieken, en zij had helemaal geen last van het gesteiger van het vaartuigje.

Duinkerke werd door de vluchtende schepen niet aangedaan. De stad stond in brand en de Duitsers hadden er vanaf 17 mei ook magnetische mijnen gedropt. Dat gebeurde ook voor Calais, Dieppe, Boulogne en Le Havre, maar dat wisten de Vlaamse vissers niet. Pee Mussche besloot om door te zetten naar Calais. Het was een haven waar Frans Vantorre (Calus) goed bekend was. Hij markte er zeer regelmatig. Het leverde hem trouwens ook zijn lapnaam op. Kales, of Calus op z'n Heists, is namelijk de oorspronkelijke Vlaamse naam van Calais. Een paar uur later, bij het binnenlopen van die Noordfranse haven, stond Victor Vantorre ("de Rus") aan dek van de Zeebrugge 5 op de uitkijk. Toen Louise eveneens boven op dek kwam merkte ze op dat de Duitse vliegtuigen "ook reeds in Calais geweest" waren. "Geweest, geweest!", zei Victor zelfzeker tegen z'n oudste zus, "maar neen toch, Louise, da's nog van den eersten oorlog". Maar Louise wist wel beter, want ze zag de matrassen nog door de vensters van de gebombardeerde huizen hangen. Ook aan boord van de Heist 34 werd het stil toen ze Calais binnenliepen en de lange rij verwoeste huizen zagen, herinnert Hilda Vantorre zich. Wat de Heistse vluchtelingen niet wisten was dat op die 20ste mei het vierde Duitse leger 's avonds reeds doorbrak tot de monding van de Somme en Abbeville veroverde. Het geallieerde front was daardoor in twee stukken gesneden. De komende dagen zouden de Duitsers de tang dichtknijpen. Britten en andere geallieerden kwamen bijgevolg op de stranden van De Panne en Duinkerke vast te zitten.
Toen de drie Musschenvaartuigen in Calais afgemeerd lagen, zagen ze een man uit Heist met een fiets de kade oprijden en van uitputting neervallen. Berten en de Rus gingen de man, die bloed spuwde, helpen en brachten hem met z'n fiets aan boord van de Zeebrugge 5. In horten en stoten vertelde de man dat hij uit dienst weer thuisgekomen was en hoorde dat zijn vrouw aan boord van het vaartuig van haar familie naar Frankrijk gevlucht was. Hij had in Heist een nieuwe fiets gekocht en was in één stuk tot in Calais gereden. Toen de man ietwat rustiger begon adem te halen gaf Berten hem wat te drinken en gaf hem stukjes soldatenbeschuit te eten. "Als hij het niet haalt" zei de Rus "dan is die fiets van mij, want ik heb hem het eerst gezien". "Geen sprak van" repliceerde Berten "ik ben stuurman aan boord, dus behoort hij mij toe". Ze wisten echter allebei dat ze maar aan het gekscheren waren en deden hun uiterste best om de man er weer bovenop te helpen.

's Anderendaags vertrok de Musschenvloot weer uit Calais en er werd opgestoomd naar Dieppe, dat 125 km verderop lag. Deze thuishaven van de beroemde zeevaarder Jehan Ango werd vanaf 1936 ook de badplaats die de gewone Parijzenaars leerden kennen en waarderen. Toen voerden onze zuiderburen namelijk de "congé payé" in. Tevoren, in meer vreedzame tijden, waren ook reeds heel wat illustere figuren grage bezoekers van Dieppe. De componist Camille Saint-Saëns kwam er inspiratie opdoen en ook de schrijver Marcel Proust. De omstreden Britse auteur Oscar Wilde bracht er zijn wittebroodsweken door. Alexandre Dumas, de man van de “Drie Musketiers”, sleet zijn laatste levensdagen in Dieppe. Destijds hielden zelfs Napoleon Bonaparte en later Napoleon III vakantie in de bekende badplaats. En ook de impressionist Camille Pissaro (1830–1903) schilderde er amper een jaar voor zijn dood een hele zomer lang. Het is trouwens dezelfde Pissaro die in 1894 voor een tijdje naar Knokke was gevlucht bij het uitbreken van de anarchistenjacht in Parijs. “Un petit trou neuf pour moi et gentil pour le peintre” noemde hij Knokke. Hij verbleef van juli tot september in het Hotel de Bruges en schilderde Knokke dorp met de kerktoren en ook, zoals hij in een brief schreef, “des moulins, des toits rouges, des dunes ". Toen later in Frankrijk de rust was teruggekeerd zette hij in Dieppe de haven op doek precies op de plaats naast de Pont Ango waar de Musschenvaartuigen straks uiteindelijk zouden afmeren.

Tijdens het spetteren van de Musschenschepen naar Dieppe bleef het mooie weer aanhouden, waarvoor de Heistse vluchtelingen dankbaar waren. Maar ook voor de vijand was het mooie weer meegenomen. Tijdens de tocht passeerden de Heistse vaartuigen op enige afstand voorbij de monding van de Somme. Tot daar was de vijand reeds doorgedrongen, maar dat wist men aan boord niet. De opvarenden, die geen vissers waren, hadden ondertussen ook reeds kennis gemaakt met de "puzzy", een emmertje aan een lang touw. Aan boord van de vissersvaartuigen was er in die tijd namelijk geen toilet. Iedereen deed z'n behoefte op een emmertje, dat bij middel van het lange touw in zee gedumpt werd. Daarna werd het emmertje vol zeewater weer bovengehaald en uitgespoeld. Voor de preutsen onder de vluchtelingen was het wel even wennen. Tijdens de tocht bleven de drie vaartuigen gespaard van beschietingen door Duitse vliegtuigen, iets wat heel wat andere schepen wel te verduren kregen.

Onder meer werd de Loodsboot 6 uit Zeebrugge voor de Franse kust opgemerkt door Duitse vliegtuigen. Aan boord de bijna 11-jarige Roger Nefors, zijn ouders, oudste zus Jeanine en jongere broer René. “Ik was zeeziek en lag boven op dek, toegedekt met een overjas, toen we werden beschoten. Ik werd niet geraakt, maar later zagen we dat er drie kogelgaten in de jas zaten!” vertelt Roger Nefors. Hij herinnert zich ook dat ze in Boulogne twee watervliegtuigen in de lucht zagen vliegen. Vermoedelijk waren de toestellen op magnetische mijnen gevaren. Besloten werd om onverwijld door te zetten naar Dieppe. Die haven was eerder in een regeringsmededeling op de Belgische radio aangemerkt als de meest veilige Franse haven waar landgenoten het best konden verzamelen. Tijdens de vaart naar Dieppe werd de Zeebrugse loodsboot nog gepasseerd door de Oostendse vaartuigen O 126 en de O 502 (?). In de haven waren zowel Engelse als Franse soldaten present. Rond de middag was er al meteen een Duitse luchtaanval op de stad en de haven. Mensen schuilden in de krijtrotsen. “Bij het bombardement werd een bankfiliaal getroffen en de biljetten dwarrelden door de lucht. Velen hebben toen zo’n biljetten als souvenir meegenomen” vertelt Roger Nefors. Omdat de Loodsboot een metalen vaartuig was, werd het raadzaam geacht om vanwege de vele magnetische mijnen niet verder te varen. Een aantal loodsen bleef zo in Dieppe steken. De familie Nefors stapte in de Franse haven echter over op de O 100 “Emiel”, het vaartuig van grootvader Emilius Nefors; het honderdste vaartuig in Oostende. De koning was er peter van. Na de overstap op de “Emiel” ging het snel weer het zeegat uit op weg naar de Engelse kust.

ZWARTSTE DAG UIT DE VISSERIJGESCHIEDENIS

Bij het binnenlopen van Dieppe riep de man met de fiets, die de Musschen in Calais hadden opgepikt, "Daar, langszij, het vaartuig waar m'n vrouw op zit". Een onvoorstelbaar toeval. De man en zijn fiets werden overgezet op het andere vaartuig. Gilberte zag het gebeuren, maar heeft nooit de naam van de man geweten. Eens binnen in de haven wikte Pee Mussche (Leopold Vantorre) hoofdschuddend de toestand. "We liggen hier niet goed" hoorde Gilberte hem bij herhaling zeggen, meer tegen zichzelf dan tegen de opvarenden. De binnenhaven van Dieppe boezemde Pee namelijk grote vrees in. Hij had op de kaai gehoord dat Dieppe sedert de zeventiende mei al een paar keer gebombardeerd was. Met de mogelijkheid van luchtaanvallen meende Pol Mussche dat het te gevaarlijk was om in het zogeheten Bassin Duquesne achter de sasdeuren te blijven, omdat men in de binnenhaven eigenlijk gevangen zat. Daar lagen trouwens ook veel andere vaartuigen, van klein tot groot. Een perfect doelwit. Hij besloot dan ook om van zohaast er mogelijkheid was te versassen en in de buitenhaven te wachten. Het wachten duurde lang omdat de brug tussen de twee havendelen voortdurend gebruikt werd voor militair verkeer.

De dagen tevoren hadden de Fransen trouwens geweigerd om de Belgische schepen in de binnenhaven weer buiten te laten. Het havenbestuur volgde orders uit Parijs volgens dewelke alle commerciële trafiek in de haven verboden was. En er was nog een probleem. Volgens sommige historische bronnen hadden de bedieners van de brug namelijk de plaat gepoetst, en moest deze nu gedraaid worden door mensen die dat helemaal niet gewend waren. Ten einde raad beukte schipper Cloet van de Oostende 204 de maandag kort voor de middag (20 mei) de sasdeuren van de binnenhaven, die een paar centimeter openstonden, verder open totdat de ingesloten vaartuigen konden vluchten. “Sommige Vlaamse vaartuigen lagen er al sedert de elfde mei” vertelde later Camiel Beernaert, motorist van de Heist 81 “Madeleine-Camiel”. Het vissersschip was eigendom van zijn ouders Anselmus Beernaert en Maria Vandierendonck en werd gevoerd door Rafaël Legein. Net zoals de Heist 81 zetten de meeste bevrijde vaartuigen die maandag middag toen koers naar het zuiden met bestemming Fécamp, dat ruim 60 km verderop ligt.

Inmiddels arriveerden nog steeds Vlaamse vissersvaartuigen in Dieppe. Toen het militair verkeer de dinsdag middag wat afnam slaagden de Musschen er toch in hun schepen eindelijk te verleggen naar de Avant Port. Onmiddellijk voorbij de draaibrug (inmiddels een ophaalbrug) vond Pol Mussche met zijn vaartuigen plaats langs het kleine stukje dwarskaai dat naar de Quai Henri IV loopt. Het is de plaats waar tegenwoordig op de kade de Toeristische Dienst een onderkomen heeft. Voor wat er de komende uren zou gebeuren was uitgerekend dié ankerplaats toevallig het veiligste stukje haven in heel Dieppe. Daarbij kwam nog dat men voorbij het sas naar buiten kon varen wanneer men wilde, tenminste als het geen eb was. In afwachting van hoog water ging Pee Mussche palaveren met drie Belgische loodsen die in Dieppe gestrand waren. Hij sloot met hen een deal om tegen een bepaalde vergoeding de oversteek naar Engeland te beloodsen.

Omdat het vrij rustig was bracht men ook Achiel, de gehandicapte zoon van Leon Vantorre boven op de kade. Met een lijntje liet men hem vissen in de haven. Dat vond hij een heel stuk leuker dan benedendeks blijven, waar niks te beleven viel. In de loop van de namiddag, tijdens het wachten op het rijzend tij, ging zowat de helft van het mansvolk de stad in. Ook Berten en z'n schoonzusters Yvonne en Marie gingen extra etensvoorraad inslaan in de winkels van Dieppe. De rest van het vrouwvolk en de kinderen bleven aan boord. Onder meer soepgroenten en boter moesten gehaald worden, want Louise, die kokkin was, ging koken om de gemoederen wat op te vijzelen. “Berten had van Pee Mussche Belgisch geld gekregen om de boodschappen te doen. Omdat er al een paar dagen zoveel vaartuigen uit Zeebrugge en Oostende binnenlagen aanvaardde men in de Franse winkels het Belgische geld. We moesten dus niet naar de bank,” herinnert Yvonne zich. Volgens "Les Cahiers anecdotiques de la Banque de France" begonnen de banken zich echter zorgen te maken over het aanvaarden van de Belgische munt. Een dag later zouden ze de Britse consul in Boulogne trouwens vragen om in Londen na te gaan of men daar nog Belgisch geld zou kunnen uitwisselen.

Om 16u precies, toen nog niet alle Musschen terug waren uit het winkelcentrum van Dieppe, zette de Luftwaffe plots een bombardement in op de stad. De aanvallers kwamen onverwacht uit de zon tevoorschijn boven de Bassin Duquesne. Leon Vantorre, ondanks zijn zwaar omzwachelde voet als gevolg van een vroeger ongeval aan boord, gritste als de weerlicht zijn zoon Achiel van de kade af, en bracht hem naar de relatieve veiligheid benedendeks. Ook de kleine Jacqueline Vantorre werd vliegensvlug van het dek van de sloepe geplukt “en ondersteboven” door het mangat aan de helpende handen van haar vader Camiel in het vaartuig doorgegeven. Gilberte Beirens trotseerde echter het gevaar. Ze zag een deel van de aanval van op dek. Voor de rest schuilde ze in de stuurhut. Gilberte herinnert zich dat de vliegtuigen de bommen met vier stuks per keer op het havengebied lieten neerkomen. Het toen bedeesde meisje van amper negen jaar oud, zei niks, zag alles, en sloeg al het gebeuren op in haar geheugen om nooit meer te vergeten. Uit de archieven blijkt dat de aanval werd uitgevoerd door zeven Duitse stuka's. Vooral ook de binnenhaven, de Bassin Duquesne, waar de Musschenvloot eerst gelegen had, werd zwaar gebombardeerd. De "Brighton" een opgevorderde voormalige Britse pakketboot van de lijn van Dieppe naar Brighton, die dienst deed als hospitaalschip voor het Rode Kruis, werd er door de Duitsers in de grond geboord. Het schip, dat klaarlag om een duizendtal gekwetsten over te brengen naar Engeland, vloog in brand en zonk in de haven. Ook de paddlesteamer "Maid of Kent" van Southern Railway werd die namiddag gekelderd in Dieppe. Yvonne Vantorre herinnert zich dat op een gegeven moment de lange bommen op amper plafondhoogte boven hun hoofden voorbijraasden. Ze kon de structuur van de bommen van de punt tot de ronde bij de staartvinnen duidelijk zien. Het was toen dinsdag de 21ste mei.

Naast de Musschen en andere Heistenaars waren ook veel Oostendse vaartuigen in Dieppe gearriveerd. Ook de Heist 42 van Theophiel De Groote was de namiddag tevoren deze allesbehalve veilige Franse haven binnengevaren. Hij was een paar uur voor het bombardement echter alweer uitgevaren. Een zekere Marie Van Torre uit Heist, net 14, was eveneens aan boord van een vissersvaartuig in Dieppe aanbeland. Zij weet te vertellen dat ze er een paar nachten lang met honderden anderen in diepe grotten schuilde. Enkel de schippers van de vaartuigen bleven 's nachts aan boord. Toen ze uiteindelijk konden wegvaren deed ze een "kasserol" over haar hoofd om zich te beschermen tegen kogels en shrapnel.

In totaal bevonden zich in die dagen zo'n 3.000 landgenoten in Dieppe. Sommige waren aan boord van de schepen gearriveerd, anderen met bussen, privé auto’s en een handvol ook met de trein. In het binnendok, waar nog zo'n 25 vaartuigen lagen, lieten bij de aanval 42 Oostendenaars het leven, vooral aan boord van de Oostende 309 van de rederij Seghers. Ook de Oostende 237 van de rederij Vieren werd door een bom getroffen. In de brandende binnenhaven dreven vele tientallen lijken van militairen, hospitaalpatiënten, vissers en andere vluchtelingen op het water... Het Beheer van het Zeewezen verklaarde in juli 1940 in Londen dat bij het bombardement in Dieppe zes Oostendse vissersvaartuigen volledig vernield werden. Zeven Oostendse schepen hebben na de aanval om allerlei redenen de oversteek niet gemaakt en werden later nog in de haven van Dieppe opgemerkt. Volgens de bekende Oostendse visserijonderwijzer en uitgever van "Het Visscherijblad" Pros Vandenberghe (1907-1984) nam de plaatselijke overheid in Dieppe na de luchtaanval van de 21ste mei de vlucht. Niemand bekommerde zich om de gekwetsten, de doden en de schepen die in de haven waren ingesloten. De lichamen uit het havengebied werden naar een ziekenhuis afgevoerd. Een dokter schrok wel even toen hij tussen de doden ook een levende man aantrof die straalbezopen was. Het was een Oostendse visser die van schrik tijdens het bombardement een stuk in zijn kraag gedronken had.
Na de Duitse luchtaanval moest gewacht worden op de terugkeer van het mansvolk. Sommigen, waaronder Charles Beirens, waren door de bewoners van de visserswijk Le Pollet voor de veiligheid in een "abri" in de rotsen binnengetrokken tijdens het bombardement van de stuka’s. Hij was voor zover bekend de laatste om weer aan boord te komen. "Da's enen die we kwijt zijn" prevelde z'n moeder Louise al, maar toen kwam hij er plots toch aangelopen. De Fransen hadden namelijk niemand uit het schuiloord gelaten tot alles weer veilig was. Een kleine honderd van de armste haringvissers en zoutgaarders uit Dieppe, de “gobiers” (kalkrotsbewoners), verbleven sedert het einde van de negentiende eeuw in grotten die in de krijtrotsen waren uitgehold. Ze gingen er zich vestigen nadat ze uit hun huizen in het oude Pollet waren verdreven door de graafwerken voor de aanleg van een bredere havengeul. De Dieppois waren in 1940 echter blij dat ze in de grotten van hun armste stadsgenoten konden gaan schuilen. De onfortuinlijke gobiers werden enige tijd later echter door de Duitsers uit hun rotswoningen verjaagd omdat de Nazi’s er hun “blockhaus” wilden bouwen.

In alle geval hebben in die moeilijke oorlogsdagen heel wat Vlaamse vissers en hun families hun leven te danken aan de bescherming die de armsten onder hun collega-vissers hen boden in Dieppe. Ook Pros Vandenberghe had op die beruchte dinsdag vanuit een vissersschuiloord in de krijtrotsen vlakbij de haven het bombardement van de Vlaamse vissersvloot zien gebeuren. Hij had zich zeker een rustiger dag toegewenst, want het was uitgerekend zijn verjaardag.

Korte tijd nadat iedereen weer aan boord was van de Musschenvloot en alles werd klaargemaakt voor het buitenvaren bij hoog water verscheen opnieuw een vliegtuig boven de haven. Charles Beirens, die even tevoren het zware bombardement had meegemaakt, sprong overboord en verschanste zich in de meterdikke modder onder de overhang van de kade. Hij moest door de andere familieleden uit z'n benarde positie gehaald worden. Met hindsight was het beslist de vooruitziendheid van Pee Mussche en een portie geluk die ervoor gezorgd hadden dat de schepen in Dieppe op de veiligste plaats lagen en niet beschadigd werden.

Het buitenvaren verliep voor de Musschenvloot zelf zonder veel problemen, ondanks het feit dat Duitse vliegtuigen mijnen in de vaargeul gedropt hadden. Andere schepen waren niet zo gelukkig. Bij het verlaten van Dieppe sloeg het noodlot toe voor de Oostende 288 Normandie, een stalen vaartuig van reder Maurice Lenaers. Voor het wegvaren had de reder nog tegen Pee Mussche gezegd: "We kunnen tezamen oversteken naar Engeland. Ik ga eerst buitenvaren. Ge kunt me volgen met je schepen als ge wilt". Yvonne Vantorre herinnert zich het onfortuinlijke Oostendse vaartuig : "Een klop, ze liepen op een magnetische mijn. Dan een geweldige ontploffing. En hij draaide onderste boven. Ik zie hem nog. Neven ons. We hebben nooit geen mens meer gezien of gehoord". Dat gebeurde vlak naast de Zeebrugge 34, waar Yvonne aan boord was. Ze zag het met eigen ogen gebeuren. De meeste slachtoffers behoorden tot de Oostendse vissersfamilies Lenaers, Maerten, Degrauwe en Verstappen. Ook Heistenaars Maria Rassau (°1910) en haar man Albert Claeys waren getuige van de vernietiging van het Oostendse vaartuig. Samen met hun zoontje Hubert, een kleuter van twee jaar, en andere Heistenaars slaagden ze er vervolgens in te ontkomen naar Shoreham.

De magnetische mijn werd door Duitse vliegtuigen aan een parachute neergelaten. Zodra de mijn zonk werd het valscherm automatisch losgekoppeld. De mijn bleef op de zeebodem liggen tot het door een magnetisch veld van een schip werd geactiveerd. De magnetische naald trad vervolgens in werking en een stroomkring werd gesloten. De mijn explodeerde dan en vooral in ondiep water was de explosie vlak onder de scheepsromp vernietigend.

Na het vergaan van het Oostendse vaartuig wilden sommigen aan boord van de Musschenschepen terugkeren. Anderen wilden verder Frankrijk intrekken. Maar Pee Mussche besliste dat halve maatregelen geen zin meer hadden. Men zou oversteken naar Engeland. Yvonne Vantorre begreep dat ze steeds verder van haar man verwijderd raakte en ze vreesde dat ze haar Willy nooit meer zou terugzien. "Ge moet niet bang zijn" probeerde Pee Mussche de vrouwen te sussen. "Onze schepen zijn van hout. Ze trekken de mijnen niet aan". In mekaars kielzog gleden de schepen van de Heistenaars vervolgens voorzichtig de havengeul uit. Dieppe zou men echter niet snel vergeten. Tot op heden blijft dinsdag 21 mei 1940 de meest rampspoedige dag uit de geschiedenis van de Vlaamse visserij.

In Dieppe ging het ook mis bij de vlucht van de “Paster Pype”, het voor die tijd hypermoderne hydrografisch schip uit Oostende, dat in 1939 bij Cockerill van stapel liep. Het vaartuig was vernoemd naar een aalmoezenier, die zich eind 19de eeuw het lot aantrok van de arme Oostendse vissersbevolking. Tijdens een poging om naar Engeland te ontkomen liep het schip door gebrek aan brandstof vast op een golfbreker bij Dieppe. Het viel zo goed als ongeschonden in handen van de Duitsers, die zeer onder de indruk waren van de aan boord gebruikte technologie. Gedurende een deel de oorlog werd het vaartuig door de vijand ingezet als Vorpostenboot (V2001) en begeleider van konvooien. Het schip ging in maart 1942 verloren toen het op een zandbank voor de Oost-Friese eilanden in een storm werd stukgeslagen.

Begin juni 1940 zouden ook nog Heistenaars en Zeebruggelingen omkomen bij een bombardement op de nog meer zuidelijk gelegen Franse haven Fécamp. “Daar heerste paniek en er was geen plaats en geen eten voor de vele vluchtelingen” herinnerde zich later Theophiel De Groote. “Het regende dat het goot toen we er arriveerden. We mochten niet binnenlopen van de havenkapitein, maar daar veegden we ons broek aan. We hebben er geravitailleerd en water geladen.” Op 10 juni 1940 om 14.30u veroverde Rommel en zijn 7de pantserdivisie deze Franse havenstad. Precies één maand dus na de Duitse inval in ons land. Tijdens het bombardement werden twee kinderen gedood van Pee van Coengel, reder van de H 12. Angèle en Marie-Jeanne Vandierendonck waren respectievelijk 15 en 9 jaar oud. Ook de 50-jarige Elisa Savels uit Heist vond die dag de dood in Fécamp. De meeste Vlaamse slachtoffers, een 17-tal, vielen toen de cinema waarin ze schuilden gebombardeerd werd. “De mensen uit Heist en Zeebrugge die omkwamen liggen er nog steeds begraven” herinnert zich Gilbert Savels. De Franse visser Aimable Louis Friboulet (1880-1946) zag de Vlaamse vluchtelingen in Fécamp arriveren. Ze werden her en der door de inwoners opgevangen in de stad en in Yport. Kort voor zijn dood vertelde hij aan zijn kleinkinderen dat de havenstad slechts door een handvol soldaten verdedigd werd. Theophiel De Groote bevestigt dit “Wij hebben zelfs geen Franse soldaten gezien”. De dagen erna wemelde het bij de vissershaven van Fécamp echter van de Duitse soldaten.